Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Ajilon Technology B.V.,
2.[geïntimeerde 2] ,
2 november 2011, 13 juni 2012, 6 maart 2013 en 25 september 2013. Tegen [geïntimeerde 2] is verstek verleend. Bij memorie van grieven in het principaal appel met een productie heeft R&E drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord in het principaal appel, memorie van grieven in het incidenteel appel heeft Ajilon de principale grieven bestreden en tevens incidenteel appel ingesteld. Er is daarbij één incidentele grief aangevoerd. R&E heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel. Vervolgens hebben partijen op
4 augustus 2015 de stukken overgelegd en arrest gevraagd.
2 november 2011, 13 juni 2012, 6 maart 2013 en 25 september 2013 en het alsnog toewijzen van haar vorderingen in de eerste aanleg, met hoofdelijke veroordeling van Ajilon en [geïntimeerde 2] in de proceskosten van beide instanties.
losvan het door deze overgang verliezen van de met name genoemde klanten, schade heeft geleden. Dat laatste oordeel is juist. De enkele, niet onderbouwde stelling dat
“Ajilon R&E feitelijk heeft overgenomen en ingelijfd”en “
eenvoudigweg alles kwijt” was is onvoldoende om te oordelen dat er meer of andere schade aan de orde is. Anders dan R&E meent blijkt de juistheid van deze stelling niet uit de vaststaande feiten, en evenmin uit het eindarrest van het hof in de hoofdzaak. Daar komt bij dat in r.o. 4.3.5 van het tussenvonnis is overwogen dat R&E in haar schadebegroting enkel de acht met name genoemde uitzendkrachten heeft betrokken. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat zonder nadere toelichting, die door R&E niet is gegeven, niet in te zien valt waarom de gehele elektrotechnische dienstverlening is weggevallen als gevolg van het overstappen van de 8 uitzendkrachten. Ook in hoger beroep onderbouwt R&E haar stellingen op dit punt niet nader en dus onvoldoende.
“segment elektro”van haar onderneming.
“waar het de inzet van die uitzendkrachten betreft”;r.o. 4.3.9).
“van een behoorlijke mate van beweeglijkheid”van de lang in dienst zijnde technische uitzendkrachten van R&E geen sprake is, is onvoldoende om anders te oordelen.
“Ajilon R&E feitelijk heeft overgenomen en ingelijfd”en “
eenvoudigweg alles kwijt” was. Het feit dat tussen partijen is gesproken over een overnamesom van ruim € 2 miljoen leidt niet tot een ander oordeel. Gesteld noch gebleken is dat die overnamesom uitsluitend zag op de overname van bedoelde uitzendkrachten. Voor zover R&E heeft beoogd dit laatste te stellen had van haar mogen worden verwacht dit “handen en voeten” te geven.
totaalbedrag over deze periode, omgerekend per jaar (delen door 2,21) is dat
gemiddeldeen bruto marge van
€ 22.537,56. Uitgaande van de door de rechtbank gehanteerde – in hoger beroep niet bestreden – CBS-groeicijfers, steeds toegepast op de gemiddelde marge, laat dat het volgende beeld zien van de marges. Het gaat om de gemiste marge over de jaren 2001 (vanaf week 12), 2002 en 2003. Het jaar 2001 laat dan een resterende (naast de gerealiseerde) marge zien van (€ 22.537,56 -/- € 15.874,-- =) € 6.663,56. Het jaar 2002 een marge van € 22.222,03 (daling van 1,4% ten opzichte van het gemiddelde) en het jaar 2003 een marge van € 20.779,63 (daling van 7,8% van het gemiddelde).
Totaalis dat (€ 6.663,+ € 22.222,03 + € 20.779,63 =) € 49.664,66. Daarop dient dan nog een korting van 20% te worden toegepast, hetgeen resulteert in een bedrag van
€ 39.731,20. Het hof zal echter, gelet op het petitum in incidenteel hoger beroep, het door Ajilon berekende en daarmee erkende minimumbedrag van € 53.891,04 aan schadevergoeding toewijzen.
Beslissing
- verklaart R&E niet ontvankelijk in het hoger beroep tegen de vonnissen van 2 december 2011 en 13 juni 2012;
- verwerpt het hoger beroep voor het overige;
25 september 2013,
- veroordeelt Ajilon en [geïntimeerde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan R&E te betalen een bedrag van in hoofdsom € 53.891,04 , te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro vanaf 18 maart 2001 tot aan de dag van algehele voldoening;
- veroordeelt Ajilon en [geïntimeerde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de deskundigenkosten aan de zijde van R&E tot op heden begroot op € 20.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro vanaf 26 januari 2001 tot aan de dag van algehele voldoening;
- veroordeelt Ajilon en [geïntimeerde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van R&E tot op 25 september 2012 begroot op € 3.620,31 aan griffierecht en € 5.684,-- aan salaris advocaat;