Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 4 oktober 2016
ALLIANZ Benelux N.V.,rechtsopvolgster van Allianz Nederland Schadeverzekering N.V.,
4. AIG Europe Limited,
5. Torus Insurance (UK) Limited,
6. Fatum General Insurance N.V.,
7. Chubb Insurance Company of Europe SE,
Mol Agrocom B.V.,
Het verdere verloop van het geding
Verdere beoordeling van het hoger beroep
10. Het hof overweegt dat de vraag of de beschadigde uien moeten worden aangemerkt als de “zaken die door of onder verantwoordelijkheid van de verzekerde organisatie zijn geleverd” een vraag van uitleg van de verzekeringsvoorwaarden betreft, en geen biologische vraag. Dat voor de toepassing van artikel 3.6.1 doorslaggevend is of de beschadigde uien één op één zijn voortgekomen uit de geleverde plantuien, zoals Amlin c.s. stellen, blijkt niet uit de tekst van de vervangingskostenclausule, en gesteld noch gebleken is dat en waarom Mol Agrocom de vervangingskostenclausule in die zin had moeten begrijpen. Bovendien leidt de toepassing van dit “één-op-één-criterium” tot dermate veel onduidelijkheid en verwarring, en daarmee onzekerheid bij verzekerden over de al dan niet toepasselijkheid van de dekkingsuitsluiting, dat het reeds daarom niet geschikt is als leidraad voor de uitleg van de vervangingskostenclausule. Het gaat, zoals gezegd, om de vraag hoe partijen artikel 3.6.1 van de polisvoorwaarden in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten begrijpen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
11. Vast staat dat de vervangingskostenclausule een gebruikelijke clausule is in AVB-polissen, die strekt tot uitsluiting van het zogenaamde ondernemersrisico. Van dekking wordt uitgesloten het aansprakelijkheidsrisico dat voortvloeit uit de schending van het zuivere contractsbelang van de wederpartij. Wie zich contractueel verplicht een zaak te leveren of een dienst te verrichten, moet zelf instaan voor een deugdelijke nakoming van die primaire contractuele verplichting. Presteert de verzekerde ondeugdelijk, dan dient de schade die de afnemer lijdt doordat hij niet krijgt waarop hij in het kader van de transactie recht heeft, voor rekening van de verzekerde te blijven. De ratio van de vervangingskostenclausule is dus dat verzekeraars niet instaan voor de kwaliteit van het geleverde product en dat uit dien hoofde dekking ontbreekt voor schade die haar oorzaak vindt in de ondeugdelijke overeengekomen prestatie.
12. Het hof overweegt dat, zoals ook blijkt uit de discussie in de onderhavige zaak, de uitleg van artikel 3.6.1 van de vervangingskostenclausule vragen oproept wanneer het gaat om de levering van levende zaken, zoals planten of dieren, en de schade zich pas enige tijd na de levering openbaart. Een levend product kenmerkt zich immers door het feit dat het onder invloed van bewerking en/of verzorging, waaronder de toediening van voedingstoffen en water, verandert. Deze verandering betreft onder meer de fysieke uitingsvorm van het product, als gevolg van bijvoorbeeld groei en/of het overgaan in een andere fase, zoals bij het ei en het kuiken, de rups en de vlinder, of het zaad en de uiteindelijke vrucht. Een andere, belangrijke, verandering die veelal optreedt als gevolg van bewerking en/of verzorging is een verhoging van de economische waarde van het product. Deze fysieke en/of economische veranderingen van het product zijn in het algemeen het gevolg van investeringen van de afnemer, en staan los van de primaire leveringsverplichting van de ondernemer/verzekerde. Indien op enig moment schade optreedt aan een levend product, rijst als gevolg van bedoelde fysieke en economische veranderingen de vraag in hoeverre nog kan worden gesproken van “zaken die door of onder verantwoordelijkheid van de verzekerde organisatie zijn geleverd”. Een ruime uitleg van dit begrip kan er immers toe leiden dat onder de dekkingsuitsluiting niet alleen – in overeenstemming met het doel en de strekking van de vervangingskostenclausule – de schade valt die rechtstreeks zijn oorzaak vindt in het ontbreken van de ondeugdelijke overeengekomen prestatie, maar tevens de schade die zijn oorzaak vindt in het verlies van de door de afnemer gegenereerde waardevermeerdering.
- de polis van Mol Agrocom is een makelaarspolis, zodat eventuele onduidelijkheden in de polisvoorwaarden in het voordeel van verzekeraars moeten worden uitgelegd;
- er zijn echter geen onduidelijkheden: in de verzekeringsbranche staat niet ter discussie dat voor de reikwijdte van de vervangingskostenclausule het door Wansink in zijn boek ‘De algemene aansprakelijkheidsverzekering’ gehanteerde ‘rechtstreeks, één-op-één-criterium’ geldt, terwijl er bij de toepassing van dit criterium in het geheel geen onduidelijkheid bestaat en ook Mol Agrocom van dit criterium is uitgegaan;
- in het door Wansink gegeven voorbeeld van de miniknolletjes en de daaruit voortvloeiende pootaardappels is sprake van kunstmatige beïnvloeding tijdens de teelt. Zonder deze kunstmatige beïnvloeding groeien de miniknolletjes niet uit tot pootaardappelen. De groei van plantui naar consumptieui is echter, net als de overgang van rups naar vlinder of van ei naar kuiken, een natuurlijke levenscyclus. Het fysieke veranderingsproces en de daarmee gepaard gaande waardevermeerdering zijn inherent aan het natuurlijk groeivermogen en daarmee is de consumptieui dezelfde zaak als de plantui;
- de ratio van de vervangingskostenclausule is, zoals het hof terecht overweegt, het zuivere ondernemersrisico van dekking uit te sluiten. De schade als gevolg van het niet nakomen van de primaire prestatieplicht betreft transactieschade die, anders dan productschade, niet is verzekerd en waarvoor de verzekerde niet uit onrechtmatige daad aansprakelijk is;
- voor financieel nadeel dat inherent is aan herstel of vervanging van een ondeugdelijke prestatie is temeer geen dekking nu artikel 3.6.3 van de polisvoorwaarden bepaalt: “een en ander met inbegrip van de eventuele vervangende schadevergoeding alsmede het financieel nadeel wegens het niet of niet naar behoren kunnen gebruiken van de desbetreffende zaken, ongeacht door wie de kosten zijn gemaakt of het nadeel is geleden”;
- een AVB-verzekering biedt geen dekking voor zuivere vermogensschade maar alleen voor letselschade of materiële schade;
- het verlies van een door de afnemer gegenereerde waardevermeerdering is in geval van de verandering van een levend product aan te merken als vermogensschade, die terug is te voeren op de ondeugdelijke prestatie zonder dat sprake is van schade aan een andere, niet door de verzekerde geleverde, zaak;
- door de ziekte in de plantuien is rechtstreeks schade ontstaan aan de uienplanten, ofwel: de schade is transactieschade.
De stelling van Amlin c.s. dat er binnen de verzekeringsbranche in het geheel geen onduidelijkheid bestaat over de toepassing van de vervangingskostenclausule bij levende zaken aan de hand van (uitsluitend) het één-op-één criterium, kan het hof niet volgen. Het hof wijst er op dat Amlin c.s. zelf bij pleidooi in hoger beroep, anders dan eerder in de procedure en anders dan zij – naar het hof begrijpt – thans betogen, hebben gesteld dat naar haar mening ook in het voorbeeld van de door Wansink genoemde miniknolletjes en pootaardappels is voldaan aan het één-op-één criterium. De toelichting die Amlin c.s. thans geven over de onderscheidende rol van kunstmatige beïnvloeding tijdens de teelt bij de toepassing van het één-op-één criterium neemt de onduidelijkheden naar het oordeel van het hof niet weg, maar versterkt deze nog.
In de onderhavige zaak wordt dekking gevraagd van schade aan tweedejaars plantuien. Dit is zaakschade, die in beginsel is gedekt onder de polis. Het betoog van Amlin c.s. dat het hier niet gaat om productschade maar om transactieschade wordt daarmee verworpen.
Het beroep van Amlin c.s. op artikel 3.6.3 van de polisvoorwaarden wordt als onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd gepasseerd. Het is het hof zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk waarom artikel 3.6.3 in het onderhavige geval van toepassing is, nu Amlin c.s. zich slechts beroepen op het tweede deel van dit artikellid zonder daarbij het eerste deel te betrekken. Niet duidelijk is dat het in de onderhavige zaak gaat om aanspraken wegens “Opnieuw uitvoeren”, zoals in het kopje van artikel 3.6.3 is vermeld.
Beslissing
- veroordeelt Amlin c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Mol Agrocom tot op heden begroot op € 5.114,- aan griffierecht en € 13.052,- aan salaris advocaat (4 punten tarief VI);
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.