ECLI:NL:GHDHA:2016:2980
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- A.N. Labohm
- L.F.A. Husson
- A.H.N. Stollenwerck
- Rechtspraak.nl
Afwikkeling gemeenschappelijke woning en vaststellingsovereenkomst na beëindiging affectieve relatie
Partijen hadden een affectieve relatie en woonden samen in een appartement waarvan zij ieder voor de helft eigenaar waren. Na beëindiging van de relatie sloten zij een vaststellingsovereenkomst waarin de vrouw het appartementsrecht zou overnemen en de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek zou worden ontslagen.
De man stelde dat de vrouw tekort was geschoten in de nakoming omdat zij de hypotheekschuld niet volledig had voldaan, waardoor de bank geen toestemming gaf voor de overdracht. Het hof oordeelde dat de overeenkomst een inspanningsverplichting voor de vrouw inhield en dat zij zich voldoende had ingespannen om de financiering rond te krijgen en de man te ontslaan, maar dat dit niet was gelukt vanwege de bank.
Omdat de vrouw geen toerekenbare tekortkoming had begaan, wees het hof de primaire vorderingen van de man af. De overeenkomst tot verdeling was wel tot stand gekomen, maar de notariële akte was nog niet verleden, waardoor het appartementsrecht nog onverdeeld was. Het hof veroordeelde de vrouw daarom tot medewerking aan de verkoop van het appartement, waarbij eventuele restschulden en overwaarde gelijkelijk door partijen gedragen en verdeeld moeten worden.
De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het arrest vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de vordering van de man tot medewerking aan verkoop afwees en bekrachtigde het vonnis voor het overige.
Uitkomst: Vrouw veroordeeld tot medewerking aan verkoop van het appartementsrecht; primaire vorderingen man afgewezen.