Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag afvalstoffenheffing voor 2014 omdat de gemeente het groente-, fruit- en tuinafval (gft-afval) niet afzonderlijk inzamelde, wat volgens haar in strijd is met de Wet milieubeheer. De Rechtbank Rotterdam oordeelde dat het niet afzonderlijk inzamelen van gft-afval niet verhindert dat de aanslag wordt opgelegd, en verklaarde het beroep gegrond maar handhaafde de aanslag.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof Den Haag dit oordeel. Het hof stelde vast dat de gemeente weliswaar niet aan de specifieke verplichting tot afzonderlijke inzameling van gft-afval voldeed, maar dat zij wel aan haar algemene inzamelplicht van huishoudelijk afval heeft voldaan door wekelijks afval in te zamelen. Deze schending van artikel 10.21, tweede lid, van de Wet milieubeheer was onvoldoende om de verordening onverbindend te verklaren.
Belanghebbende voerde ook aan dat de hogere tarieven door het niet-gescheiden inzamelen onredelijk en willekeurig waren en dat de aanslag een onrechtmatige inbreuk op haar eigendomsrecht vormde. Het hof verwierp deze stellingen, stellende dat de heffing objectief en in verhouding tot het belastbare feit is en dat het bedrag niet leidt tot een buitensporige last in de zin van het EVRM.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De proceskostenveroordeling van de Rechtbank werd niet overgenomen.