De verdachte gebruikte op of omstreeks 11 april 2015 te Hoek van Holland een Poolse identiteitskaart die niet op haar naam stond, bij de uitreiscontrole naar Groot-Brittannië. In eerste aanleg werd zij veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf, waarvan 1 maand voorwaardelijk. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in.
In hoger beroep voerde de verdediging onder meer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege slordigheden in het dossier en onzorgvuldigheden bij overbrenging en voorgeleiding. Het hof verwierp deze verweren, oordeelde dat het proces-verbaal voldoende duidelijk was en dat de verdachte niet onredelijk lang was vastgehouden.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit had begaan. De strafbaarheid werd bevestigd, en het hof veroordeelde de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met aftrek van voorarrest. De verdediging had een geheel voorwaardelijke straf bepleit, maar het hof zag daarvoor geen aanleiding gezien de ernst van het feit en de geldende LOVS-oriëntatiepunten.
Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met een zwaardere straf dan door het Openbaar Ministerie was gevorderd.