ECLI:NL:GHDHA:2016:3300

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
12 oktober 2016
Publicatiedatum
3 november 2016
Zaaknummer
22-002492-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 404 SvArt. 416, tweede lid SvArt. 3a, vijfde lid OpiumwetBij de Opiumwet behorende lijst II
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs aanwezigheid hennepplantage

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het aanwezig hebben van een hennepplantage en vrijgesproken van een derde ten laste gelegd feit. In hoger beroep werd het vonnis aangevochten, maar de verdachte diende geen grieven in en was niet aanwezig bij de zitting. Desondanks besloot het hof de zaak inhoudelijk te behandelen voor zover het de hennepplantage betrof.

Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat de verdachte de hennepplanten teelde, bewerkte of aanwezig had. Hoewel de verdachte tijdelijk verbleef in de woning waar de hennepplantage was, was er geen bewijs dat hij toegang had tot de ruimte met de planten of dat deze zich in zijn machtssfeer bevonden.

Daarom werd de verdachte vrijgesproken van de tenlasteleggingen omtrent de hennepplantage. Voor het derde ten laste gelegde feit werd hij niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat hoger beroep tegen een vrijspraak niet openstaat. Het eerdere vonnis werd vernietigd en de zaak werd opnieuw beoordeeld met deze uitkomst.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van het aanwezig hebben en telen van hennepplantage wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002492-16
Parketnummer: 10-217357-13
Datum uitspraak: 12 oktober 2016
VERSTEK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 18 mei 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1989,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van
12 oktober 2016.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd, nu door de verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend en hij niet ter terechtzitting is verschenen, dat de verdachte op grond van artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder
1. en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte heeft geen schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve echter redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep voor zover betrekking hebbende op het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep onder 3 gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, voorover in hoger beroep nog aan de orde, dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 23 oktober 2013 tot en met 25 november 2013 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 423 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
2.
hij op of omstreeks 26 november 2013 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning gelegen aan de [adres]) ongeveer 423 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd. Het hof overweegt daartoe als volgt:
Volgens vaste jurisprudentie is voor de bewezenverklaring van het begrip “aanwezig hebben” niet noodzakelijk dat de verdovende middelen de verdachte toebehoren, noch dat hij enige beschikkings- en/of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen heeft. Voldoende is dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van de dader bevinden.
Het hof kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, hennepplanten heeft geteeld en/of bereid en/of verwerkt. De verdachte dient derhalve van het onder 1 ten laste gelegde, voor zover dat op deze onderdelen ziet, te worden vrijgesproken, zoals ook de rechtbank heeft gedaan.
Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde aanwezig hebben overweegt het hof voorts als volgt.
De verdachte verbleef tijdelijk in de woning van zijn broer, waar zich de hennepplantage bevond. Hij had weliswaar wetenschap van de aanwezigheid van de hennepplanten, maar uit de bewijsmiddelen valt niet af te leiden dat hij de hennepplanten zelf aanwezig had. De hennepplanten bevonden zich in een aparte ruimte, terwijl uit het dossier niet blijkt dat de verdachte toegang had tot die ruimte. Naar het oordeel van het hof kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de aangetroffen hennepplanten zich in de machtssfeer van de verdachte hebben bevonden.
De verdachte dient gelet op het voorgaande te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. M.J. de Haan-Boerdijk, mr. J.M. van de Poll en mr. H.A. van Brummen, in bijzijn van de griffier R. Luijken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 oktober 2016.
Mr. H.A. van Brummen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.