ECLI:NL:GHDHA:2016:342
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na vergelijking met referentieobjecten
Belanghebbende betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van haar appartement op 1 januari 2013, stellende dat de waarde te hoog was vastgesteld. De heffingsambtenaar stelde dat de waarde correct was bepaald en onderbouwde dit met een taxatierapport en een matrix van vergelijkbare woningen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Tijdens de zitting van 7 oktober 2015 werd het geschil inhoudelijk behandeld. Het hof overwoog dat de waarde volgens artikel 17 van Pro de Wet WOZ moet worden bepaald op de prijs die een meestbiedende koper zou betalen bij een verkoop onder optimale omstandigheden.
Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aan zijn bewijslast had voldaan door middel van een systematische vergelijking met vergelijkingsobjecten die voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Argumenten van belanghebbende over landelijke prijsdalingen en enkele lagere verkoopprijzen werden verworpen omdat deze niet representatief waren voor de specifieke woning.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De beslissing werd op 17 februari 2016 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €480.000 bevestigd.