ECLI:NL:GHDHA:2016:3607

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 november 2016
Publicatiedatum
6 december 2016
Zaaknummer
22-001758-16
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet op de identificatieplichtArt. 31 VluchtelingenverdragArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen straf voor opzettelijk gebruik van vals reisdocument wegens bescherming vluchtelingenverdrag

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 weken voor het opzettelijk gebruik van een niet op zijn naam gesteld reisdocument. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en het primair ten laste gelegde bewezen verklaard, maar geen straf of maatregel opgelegd.

De verdachte gebruikte op 22 maart 2016 in Hoek van Holland een vervalst Roemeens identiteitsbewijs om zich te legitimeren bij de Koninklijke Marechaussee en een ticketmedewerker. Hoewel het gebruik van het vals document wettig en overtuigend bewezen is, oordeelt het hof dat de verdachte onder de bescherming valt van artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag, dat straf voor onrechtmatige binnenkomst verbiedt indien de vluchteling zich onverwijld meldt en geldige redenen heeft.

De verdachte en zijn echtgenote hadden niet de intentie om asiel in Nederland aan te vragen, maar wilden doorreizen naar Groot-Brittannië. Ondanks een verblijf van enkele maanden in Duitsland, acht het hof niet uitgesloten dat zij onder de bescherming van het Vluchtelingenverdrag vallen. Het hof benadrukt dat een snelle procedure geen recht doet aan de complexiteit van deze bescherming.

Daarom vernietigt het hof het vonnis van de politierechter, verklaart het bewezen dat de verdachte het vals document gebruikte, maar legt geen straf of maatregel op.

Uitkomst: Verdachte schuldig aan gebruik vals reisdocument, maar geen straf opgelegd vanwege bescherming vluchtelingenverdrag.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001758-16
Parketnummer: 10-811125-16
Datum uitspraak: 23 november 2016
VERSTEK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 25 maart 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaatss] (Irak) op [geboortejaar] 1987,
thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 9 november 2016.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken met aftrek van voorarrest. Voorts is de gevangenneming van de verdachte bevolen.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:
primair:
hij op of omstreeks 22 maart 2016 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht, te weten een identiteitskaart van Roemenië, nummer [x] op naam van [naam] door zich (bij een doorlaatpost) met voornoemd document te legitimeren bij een wachtmeester van de Koninklijke Marechausse en/of bij een ticketmedewerker van de Stena Line;
subsidiair:
hij op of omstreeks 22 maart 2016 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een identiteitskaart van Roemenië, nummer [x] op naam van [naam] als ware het echt en onvervalst, door zich met voornoemd document (bij een doorlaatpost) te legitimeren bij een wachtmeester van de Koninklijke Marechaussee.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks22 maart 2016 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals
en/of vervalstreisdocument
en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht, te weten een identiteitskaart van Roemenië, [x], op naam van [naam], door zich (bij een doorlaatpost) met voornoemd document te legitimeren bij een wachtmeester van de Koninklijke Marechausse en
/ofbij een ticketmedewerker van de Stena Line.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het primair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken met aftrek van voorarrest.
Geen straf of maatregel
Artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag verbiedt lidstaten de toepassing van strafsancties wegens onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf op de vluchteling die rechtstreeks van een grondgebied komt waar zijn leven of vrijheid werd bedreigd, en die zich onverwijld meldt bij de autoriteiten en hen ervan overtuigt dat hij geldige redenen heeft voor zijn onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid. Voor een vruchtbaar beroep op artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag is niet vereist dat de vluchteling zonder enige onderbreking en zonder te reizen door een land waarin hij ook de bescherming van de autoriteiten zou kunnen inroepen, naar het land reist waar hij asiel aanvraagt. Anders gezegd: een vluchteling mag in een veilig derde land verblijven waar hij in de gelegenheid is om asiel aan te vragen, mits hij op doorreis is naar het desgewenste veilige derde land.
Uit de verklaringen die de verdachte heeft afgelegd tegenover de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat hij en zijn echtgenote, de medeverdachte, nimmer de intentie hebben gehad om asiel aan te vragen in Nederland, maar dat zij voornemens waren naar Groot-Brittannië door te reizen om daar asiel aan te vragen. Voorts heeft hij tegenover de politie verklaard dat hij een aantal maanden is opgevangen in Duitsland.
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat aan de verdachte en de medeverdachte geen bescherming toekomt op grond van artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag, nu uit de verklaringen van de verdachte blijkt dat hij samen met de medeverdachte enige tijd in Duitsland heeft verbleven, welk verblijf niet als doorreis kan worden aangemerkt, hetgeen betekent dat de verdachte en de medeverdachte asiel hadden moeten aanvragen in Duitsland.
Het hof stelt voorop dat personen die zich erop beroepen vluchteling te zijn in de gelegenheid moeten worden gesteld enigszins aannemelijk te maken dat hen bescherming op grond van artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag toekomt. Het Openbaar Ministerie dient derhalve de nodige behoedzaamheid betrachten bij de beantwoording van de vraag of een vluchteling die Nederland op doorreis naar een gewenst veilig derde land tracht te verlaten en daarbij gebruikt maakt van valse reisdocumenten onder het bereik van artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag valt.
Er is geen nader onderzoek verricht naar de aard en de duur van het verblijf van de verdachte en de medeverdachte in Duitsland. Niet valt uit te sluiten dat de verdachte en de medeverdachte onder de bescherming van artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag vallen. Een behandeling van de zaak op een (super)snelrechtzitting maakt een dergelijk onderzoek door het Openbaar Ministerie en/of een nadere onderbouwing van het verweer door de verdachte ook niet mogelijk, en is dan ook geen gepaste behandeling voor een zaak als deze. Daar komt bij dat de onverwijlde afdoening van deze zaak zeer ingrijpende gevolgen heeft gehad voor de verdachte (en de medeverdachte), nu de politierechter een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 weken heeft opgelegd en deze straf – middels een bevel gevangenneming – direct ten uitvoer heeft laten leggen.
Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat aan de verdachte geen straf of maatregel dient te worden opgelegd.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het primair bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma, mr. M.C.R. Derkx en mr. H.W. Samson-Geerlings, in bijzijn van de griffier mr. M.V. Roza.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 november 2016.
Mr. H.W. Samson-Geerlings is buiten staat dit arrest te ondertekenen.