Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 27 september 2016
[appellant] ,
[geïntimeerde] ,
Het geding
Beoordeling in hoger beroep
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
Gerechtshof Den Haag
Appellant exploiteerde sinds 1995 een Turks restaurant en verkocht het pand in 2005. Na faillissement van Istanbul B.V. zette geïntimeerde het restaurant op zijn naam, terwijl appellant de feitelijke exploitatie voortzette. Geïntimeerde vorderde betaling van schulden die appellant zou dragen.
De kantonrechter oordeelde dat appellant tekort is geschoten in zijn verplichtingen en wees alle vorderingen toe. In hoger beroep werd de bewijswaardering van de kantonrechter bevestigd. Het hof achtte de verklaringen van getuigen en feiten zoals het gebruik van de bankrekening door appellant doorslaggevend.
Appellant betwistte onder meer de hoogte van de vordering en de immateriële schadevergoeding. Het hof verwierp het betoog over reeds gedane betalingen wegens onvoldoende onderbouwing. De immateriële schadevergoeding werd vernietigd wegens gebrek aan bewijs van geestelijk letsel of aantasting van eer en goede naam.
Het hof bekrachtigde het eindvonnis voor het overige, veroordeelde appellant in de appelkosten en wees het meer of anders gevorderde af. De uitspraak werd gedaan op 27 september 2016.
Uitkomst: Appellant is aansprakelijk voor de schulden van het restaurant, immateriële schadevergoeding wordt afgewezen, en appellant wordt veroordeeld in de appelkosten.