Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 29 november 2016
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“geen rekening in het buitenland”( [Naam 1] ) respectievelijk
“navraag bij mijn moeder leerde mij dat op naam van mijn vader geen buitenlandse rekening is aangehouden”(kinderen [Naam] ) en op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” hebben zij allen ingevuld
“n.v.t.”.
Grief 1 van appellantenbetreft de identificatie. Deze grief heeft mr. Bharatsingh namens appellanten tijdens het pleidooi uitdrukkelijk
ingetrokkenen behoeft dus geen bespreking meer. Niet langer is in geschil dat wijlen de heer [Naam] een rekening bij de KBL aanhield met nummer […] .
grieven 2 en 3betogen appellanten dat zij geen informatieplicht hebben geschonden omdat wijlen de heer [Naam] hen steeds onkundig heeft gelaten over het bestaan van de KBL-rekening en zelf ook steeds heeft ontkend in persoon houder te zijn geweest van een KBL-rekening. Appellanten verwijzen in dat verband naar het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2168). Met
grieven 4 en 5voeren appellanten aan dat de Staat onvoldoende aanknopingspunten heeft verschaft om aannemelijk te maken dat appellanten de verlangde gegevens en inlichtingen daadwerkelijk kunnen verstrekken (vgl. HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141) en voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat appellanten niet alles hebben gedaan wat in hun vermogen lag om vast te stellen dat de gewenste informatie er daadwerkelijk is en daarover de beschikking te krijgen. De voorzieningenrechter heeft daarbij volgens appellanten miskend dat het hier om een coderekening gaat.
enigeinformatie te geven dan
geeninformatie. Daarbij komt dat ook de op 18 december 2015 ontvangen bescheiden niet direct met de Staat zijn gedeeld; een deel van die stukken (afschriften vanaf 2000) is pas op 1 maart 2016 (datum van memorie van antwoord van de Staat) aan de Belastingdienst toegestuurd en de rest (de oudere afschriften), na daartoe strekkend verzoek van de Belastingdienst, op 30 maart 2016.
Grief 6 van appellantenis gericht tegen de hoogte van het door de voorzieningenrechter bepaalde maximum van de te verbeuren dwangsommen (€ 250.000,- per appellant). Volgens appellanten had de voorzieningenrechter moeten motiveren waarom de dwangsommen zijn gemaximeerd tot € 250.000,- en waarom aan ieder van de appellanten afzonderlijk de maximale dwangsom is opgelegd. Ook deze grief faalt. Een dwangsom moet een reële prikkel tot nakoming vormen en als gevolg van de ontkennende houding van appellanten bestond ten tijde van het bestreden vonnis geen enkel zicht op de omvang van het vermogen dat buiten het zicht van de fiscus was of werd aangehouden. Het is de eigen keuze van appellanten geweest om tot maart 2016 te wachten met het verstrekken van informatie, waardoor de dwangsommen intussen “volgelopen” zijn. Het feit dat die dwangsommen achteraf bezien mogelijk niet in verhouding staan tot de navorderingsaanslag IB 2010, als vermeld in de door appellanten overgelegde (niet ondertekende) vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst, komt voor hun eigen risico en geeft het hof geen aanleiding om het maximum thans alsnog te verlagen. Dat aan appellanten ieder afzonderlijk dwangsommen, met een maximum, zijn opgelegd, is het gevolg van het feit dat op ieder van hen de informatieplicht van artikel 47 Awr Pro rust.
Grieven 1 en 3 van de Staatzijn door de Staat
ingetrokken. Aldus resteert
grief 2 van de Staat. Deze grief richt zich tegen de beslissing van de voorzieningenrechter om de proceskosten in eerste aanleg te compenseren. Deze grief slaagt. De Staat is in eerste aanleg voor het overgrote deel in het gelijk gesteld en dit rechtvaardigt dat appellanten in de proceskosten in eerste aanleg worden veroordeeld.