In deze civiele zaak staat het hoger beroep centraal tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam over het ouderlijk gezag, de zorgregeling en de verdeling van de gemeenschap na echtscheiding. De vrouw heeft haar verzoeken omtrent de zorgregeling en schorsing van de uitvoerbaarverklaring ingetrokken, waardoor het hof hierover niet meer beslist.
De vrouw vordert onder meer eenhoofdig gezag, een herverdeling van de opbrengsten uit onderhuur, afgifte van inboedelgoederen en een correcte verdeling van de auto. De man verzoekt afwijzing van het beroep en betaling van een bedrag wegens overbedeling. Het hof oordeelt dat de auto privébezit is en wijst het verzoek tot verdeling van onderhuur af wegens onvoldoende bewijs van baten en lasten. Het verzoek tot vergoeding voor inboedelgoederen wordt als executiegeschil afgewezen.
Ten aanzien van het gezag acht het hof zich onvoldoende voorgelicht om een beslissing te nemen en verzoekt de raad voor de kinderbescherming een onderzoek te verrichten naar het belang van handhaving van het gezamenlijk gezag, mede vanwege de problematische situatie tussen partijen en de minderjarige. De zaak wordt aangehouden tot de pro forma zitting van 25 februari 2017.