ECLI:NL:GHDHA:2016:4003
Gerechtshof Den Haag
- Verzet
- M.J. de Haan-Boerdijk
- S. Verheijen
- G.J.W. van Oven
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in verzet tegen strafbeschikking wegens termijnoverschrijding
De verdachte werd verdacht van het opzettelijk aanwezig hebben van circa 26,4 gram cocaïne op 11 oktober 2012 te Rotterdam. Tegen de verdachte werd een strafbeschikking uitgevaardigd op die datum. De verdachte ontving de strafbeschikking persoonlijk en werd geïnformeerd over de mogelijkheid tot het instellen van verzet.
De verdachte stelde op 2 november 2012 verzet in tegen de strafbeschikking, maar dit was buiten de wettelijke termijn van veertien dagen na ontvangst. In eerste aanleg werd de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaard in het verzet. Het hof bevestigt deze beslissing in hoger beroep.
Het hof overweegt dat de verdachte, ondanks zijn stelling dat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was, zelf verantwoordelijk was om zich tijdig te laten bijstaan door een raadsman of derde om de stukken te begrijpen. De verklaring van de verdachte dat hij pas na drie weken een raadsman inschakelde toont aan dat hij begreep dat hij zelf actie moest ondernemen. Er is geen sprake van verontschuldigbare termijnoverschrijding. Daarom wordt het verzet niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen de strafbeschikking wegens overschrijding van de wettelijke termijn.