In deze zaak staat de vermogensrechtelijke afwikkeling van een huwelijk tussen partijen centraal, waarbij de woning en de bruidsgave in Marokko een belangrijke rol spelen. De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag die zijn verzoek tot verdeling van de woning in Marokko had afgewezen en de vrouw had veroordeeld tot betaling van het resterende deel van de bruidsgave.
Het hof overweegt dat de woning volledig tot het vermogen van de vrouw behoort volgens het Marokkaanse recht en dat de man onvoldoende bewijs heeft geleverd voor zijn stelling dat hij recht heeft op een deel van de waardevermeerdering van de woning. De rechtbank en het hof wijzen het verzoek van de man tot verdeling van de woning af. Ten aanzien van de bruidsgave oordeelt het hof dat de Nederlandse rechter bevoegd is als nevenvoorziening bij de echtscheiding en bevestigt het hof de toewijzing van het resterende bedrag aan de vrouw.
Verder wijst het hof het verzoek van de man tot verdeling van de inboedel af wegens onvoldoende onderbouwing. De bestreden beschikking wordt bekrachtigd en het hoger beroep wordt afgewezen voor zover het meer of anders verzochte betreft.