ECLI:NL:GHDHA:2016:4070
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- E.A. Mink
- A.N. Labohm
- L.N.A. van Veen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep partneralimentatie: draagkracht, behoefte en ingangsdatum vastgesteld
In deze zaak staat de partneralimentatie centraal die de man aan de vrouw moet betalen na hun echtscheiding. De vrouw was haar baan kwijtgeraakt en vordert een alimentatie die aansluit bij haar werkelijke behoefte, terwijl de man betwist dat zij voldoende inspanningen heeft geleverd om haar inkomen te herstellen en pleit voor een fictieve verdiencapaciteit. Het hof oordeelt dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het ontslag haar niet kan worden verweten en dat zij zich actief heeft ingespannen om nieuw werk te vinden. Daarom wordt uitgegaan van haar werkelijke inkomen.
De draagkracht van de man wordt vastgesteld op basis van zijn WW-uitkering en de resterende ontslagvergoeding, waarbij rekening wordt gehouden met zijn noodzakelijke lasten. Het hof bepaalt een partneralimentatie van €280 netto per maand tot 1 oktober 2016 en €308 daarna. De ingangsdatum wordt vastgesteld op 22 juli 2016, de datum van de mondelinge behandeling, en het verzoek van de man om een eerdere datum wordt afgewezen.
Verder wordt bepaald dat de vrouw een eventuele teveel betaalde alimentatie moet terugbetalen. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. De bestreden beschikking wordt vernietigd en het hof spreekt de alimentatie opnieuw uit op basis van deze overwegingen.
Uitkomst: De partneralimentatie wordt vastgesteld op €280 per maand vanaf 22 juli 2016 en €308 per maand vanaf 1 oktober 2016, met terugbetalingsverplichting voor teveel betaalde bedragen.