ECLI:NL:GHDHA:2016:4391

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2016
Publicatiedatum
15 augustus 2017
Zaaknummer
22-002270-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 SvArt. 425, derde lid Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep wegens ontbreken grieven

De verdachte is niet verschenen op de terechtzitting van het gerechtshof in hoger beroep. De dagvaarding is rechtsgeldig betekend aan een persoon die de brief in ontvangst nam op het adres dat als daklozenopvang fungeert, waar de verdachte volgens de BRP stond ingeschreven. Het hof corrigeerde een kennelijke schrijffout in het adres en verleende verstek tegen de verdachte.

De verdachte heeft geen schriftuur met grieven tegen het vonnis van de politierechter ingediend en heeft ook ter terechtzitting geen mondelinge bezwaren geuit. De advocaat-generaal vorderde daarom op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.

Het hof zag geen reden tot inhoudelijke behandeling en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De uitspraak werd terstond na sluiting van het onderzoek gedaan.

Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven en niet verschijnen.

Uitspraak

Parketnummer: 96-217158-15

Gerechtshof Den Haag

enkelvoudige kamer voor strafzaken

Proces-verbaal

van de op 28 oktober 2016 in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof.
Tegenwoordig zijn:
mr. R.M. Bouritius, voorzitter, en
mr. L.S. van Es, griffier.
Voorts is aanwezig mr. R.C. Tdlohreg, advocaat-generaal.
De voorzitter begint het onderzoek door het doen uitroepen van de zaak tegen na te noemen verdachte.
De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] 1989 te [geboorteplaats],
[adres],
is niet ter terechtzitting verschenen.
Het hof is van oordeel dat sprake is van een rechtsgeldige betekening van de dagvaarding in hoger beroep.
Het hof overweegt daarbij dat de dagvaarding blijkens de akte van uitreiking is betekend door uitreiking op 15 augustus 2016 aan [persoon], die zich bij aanbieding van de dagvaarding op [adres] te ’s-Gravenhage, op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen.
Het hof neemt in aanmerking dat het relevante BRP-adres van de verdachte blijkens de SKDB-staat ten tijde van belang luidde: [adres] te ’s-Gravenhage.
Het hof is uit talrijke andere strafzaken ambtshalve bekend met de naam [persoon] als naam van degene die zich bij aanbieding van de voor in de BRP op het adres [adres] te ’s-Gravenhage ingeschreven personen bestemde dagvaardingen op laatstgenoemd adres bevindt en door uitreiking aan wie dan dagvaardingen
worden betekend. Laatstgenoemd adres fungeert als daklozenopvang.
Het moet er naar het oordeel van het hof derhalve voor worden gehouden dat [medewerker], medewerker van de IPKD, die de akte van uitreiking heeft opgemaakt en ondertekend, een schrijffout heeft begaan door in plaats van “119-1” te schrijven: “119”.
Het gerechtshof leest deze kennelijke schrijffout dan ook verbeterd als [adres] 119-1 en verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch heden ter terechtzitting is verschenen, dat de verdachte op grond van artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.
Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof terstond uitspraak.

Aantekening mondeling arrest

als bedoeld in artikel 425, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 7 januari 2016, gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van heden.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte heeft geen schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft zij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
Beslissing
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit proces-verbaal is door de voorzitter en de griffier vastgesteld en bij ontstentenis van de griffier alleen door de voorzitter ondertekend.