Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
.
Gerechtshof Den Haag
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank over de zorgregeling van de minderjarige, waarbij zij betoogt dat het raadsrapport onzorgvuldig is en dat er contra-indicaties zijn voor uitbreiding van de zorgregeling met overnachtingen bij de vader. De vader bestrijdt deze stellingen en stelt dat het raadsrapport zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de moeder onvoldoende bewijs levert voor haar zorgen.
Het hof constateert dat de verstandhouding tussen de ouders slecht is en dat de minderjarige emotioneel belast wordt, met toenemende zorgen over zijn welzijn. De raad start een beschermingsonderzoek en zal een kinderbeschermingsmaatregel voorbereiden om de situatie te verbeteren. Het hof acht zich onvoldoende geïnformeerd om een definitieve beslissing te nemen en stelt daarom een voorlopige zorgregeling vast, waarbij de minderjarige in het weekend bij de vader verblijft volgens een afgesproken rooster.
Het hof houdt de zaak aan tot 31 december 2016 om de resultaten van het beschermingsonderzoek af te wachten en bepaalt dat partijen via hun advocaten het hof zullen informeren over de voortgang en eventuele wens tot verdere behandeling. De voorlopige regeling kan in onderling overleg of met hulp van een gezinsvoogd worden aangepast.
Uitkomst: Het hof vernietigt de zorgregeling en stelt een voorlopige omgangsregeling vast in afwachting van het beschermingsonderzoek.