In deze zaak heeft de verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen raadsheer Van Amsterdam, die zowel betrokken was bij het hoger beroep in de strafzaak als bij de behandeling van de ontnemingszaak tegen verzoeker. De verzoeker stelde dat er sprake was van een schijn van vooringenomenheid omdat in de strafzaak getuigenverklaringen waren gebruikt die niet aan het dossier waren toegevoegd en omdat het hof geen onderzoek had gedaan naar de gewijzigde tenlastelegging.
De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en overwogen dat het niet haar taak is om de juistheid van de eerdere beslissingen in de strafzaak te toetsen. Er is geen uitzonderlijke omstandigheid vastgesteld die wijst op een zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid van de raadsheer. Bovendien werd benadrukt dat de raadsheer in de ontnemingszaak niet opnieuw oordeelt over de schuldvraag, maar slechts het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt.
Op grond van deze overwegingen is het wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer van het gerechtshof Den Haag en schriftelijk vastgelegd op 8 maart 2016.