Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 22 maart 2016
1. Altibajo Corporation Ltd.,
2. [geïntimeerde sub 2] ,
3. [geïntimeerde sub 3] ,
4. Sariel S.A.S.,
TMF Netherlands B.V. als (uiteindelijk) rechtsopvolgster vanZarf Trust Corporation B.V.,
Het geding
Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep
in conventiegevorderd, voor zover thans nog relevant:
22 februari 2010;
in reconventiegevorderd de hoofdelijke veroordeling van Altibajo c.s. tot betaling van een totaalbedrag van € 29.197,28 – ter zake van de door TMF gefactureerde bedragen over 2008, 2009 en de maanden januari tot en met april 2010, vermeerderd met wettelijke rente en tot betaling van de proceskosten. De rechtbank heeft Altibajo en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 25.768,50 met de wettelijke handelsrente, Altibajo en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld en de proceskosten tussen [geïntimeerde sub 3] , Sariel en TMF gecompenseerd.
“gegeven de wanprestatie van TMF” ten onrechte facturen heeft verzonden, althans tot genoemd bedrag. De rechtbank heeft - in hoger beroep onbestreden - geoordeeld dat Sariel zich beroept op art. 6:74 BW Pro in verband met een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar verbintenissen uit de trustovereenkomst (r.o. 4.14). Sariel is echter geen partij bij de trustovereenkomst (geworden). Het enkele feit dat TMF instructies aannam van Konckier, die
“ultimate beneficial owner”(hierna: ubo) is van onder meer Sariel, en al doende door vennootschappen “heen keek”, is onvoldoende om te oordelen dat Sariel partij is bij de trustovereenkomst. Op dit punt is voorts nog van belang dat door TMF aan Charm and More gerichte facturen op grond van Section 2 van de trustovereenkomst verschuldigd zijn door de Beneficiaries (partijen bij deze overeenkomst: [geïntimeerde sub 2] , Altibajo, Newtime – inmiddels [geïntimeerde sub 3] persoonlijk – en Elsdone). Door Sariel is onvoldoende gemotiveerd weersproken dat aldus factureren een gebruikelijke gang van zaken is en dat de betaling door Sariel van deze facturen een betaling is in de zin van art. 6:30 BW Pro.
Onnodig gemaakte kosten voor de vergadering van aandeelhouders van 22 februari 2010 (vordering 3)
22 februari 2010. Een grondslag daarvoor ontbreekt. Sariel is geen aandeelhouder in Charm and More. Het hof verwerpt de stelling van Sariel dat TMF onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, omdat TMF had moeten meedelen dat Sariel geen aandeelhouder was. In eerste aanleg heeft TMF aangevoerd dat zij uit het e-mailbericht van Konckier van 13 januari 2010 of anderszins niet behoefde te begrijpen dat Sariel in de veronderstelling verkeerde dat zij aandeelhouder was (conclusie van dupliek sub 3.51 tot en met 3.58; herhaald bij memorie van antwoord in principaal beroep sub 3.29). Dit is door Sariel niet gemotiveerd weersproken. Wat in principaal hoger beroep door Sariel verder wordt aangevoerd werpt geen relevant ander licht op dit punt.
omdathun schade niet aannemelijk is gemaakt. Voor toewijzing van een verklaring voor recht als de onderhavige, waarin het element schade is opgenomen en verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd, is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad vereist dat aannemelijk is dat er schade is geleden (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2015:760, r.o. 4.1.2). Als deze schade niet aannemelijk is behoeft de gestelde wanprestatie niet te worden beoordeeld. De rechtbank heeft in lijn met deze vaste jurisprudentie geoordeeld.
in conventiekunnen leiden.
in reconventie“[g]egeven de wanprestatie”van TMF sterk moeten worden gematigd
“tot een bedrag dat Uw Hof gerechtvaardigd acht”.Voor zover hiermee een beroep wordt gedaan op de derogerende werking van art. 6:248 lid 2 BW Pro dient te worden onderbouwd dat de betaling van het bedrag van € 38.476,62 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Aan de onderbouwing daarvan dienen hoge eisen te worden gesteld, waaraan niet is voldaan. Het enkele feit dat er - zo al juist - wanprestatie door TMF is gepleegd is onvoldoende om een beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro te rechtvaardigen.
Beslissing
- verklaart Altibajo niet ontvankelijk in het principaal hoger beroep;
- veroordeelt Altibajo in de kosten van het incident in principaal hoger beroep, aan de zijde van TMF tot op heden begroot op € 4.580,-- aan salaris advocaat;
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht van 12 december 2012;
- veroordeelt Altibajo c.s. in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, aan de zijde van TMF tot op heden begroot op € 4.961,-- aan griffierecht en € 13.740,-- aan salaris advocaat;
- veroordeelt TMF in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van Altibajo c.s. tot op heden begroot op € 948,-- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.