ECLI:NL:GHDHA:2016:729
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing incidentele vordering schorsing uitvoerbaarverklaring omgangsregeling
De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de voorzieningenrechter waarin zij werd verplicht de zorgregeling uit het ouderschapsplan na te komen, met een dwangsom bij niet-nakoming. De voorzieningenrechter had het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vrouw vorderde incidenteel de schorsing van deze uitvoerbaarheid.
Het hof overwoog dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in beginsel direct kan worden geëxecuteerd, ook als er hoger beroep is ingesteld. Schorsing van de uitvoerbaarheid kan alleen worden toegewezen bij een juridische of feitelijke misslag of bij nieuwe feiten die daartoe aanleiding geven.
De vrouw voerde aan dat de man onvoldoende toegerust was om de minderjarige na een scolioseoperatie te verzorgen en dat hij afspraken met een fysiotherapeut niet zou zijn nagekomen. Het hof stelde vast dat deze stellingen door de man gemotiveerd werden betwist en dat er geen nieuwe feiten waren die een afwijking van het eerdere vonnis rechtvaardigen.
Het hof concludeerde dat de vrouw onvoldoende belang had bij schorsing van de uitvoerbaarheid en dat het belang van de man bij directe tenuitvoerlegging zwaarder woog. De incidentele vordering werd afgewezen en de kosten werden gecompenseerd. De hoofdzaak werd verwezen naar de rol van 8 maart 2016 voor verdere behandeling.
Uitkomst: De incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt afgewezen en de kosten worden gecompenseerd.