Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 5 april 2016
STEDIN NETBEHEER B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
eerste griefbetwist Chemours het oordeel van de rechtbank dat Chemours met een installatie is aangesloten op het net van Stedin, waarbij het overdrachtspunt van de aansluiting is gelegen aan de primaire zijde van de transformatoren, en dat Chemours degene is die de Overeenkomsten met Stedin heeft gesloten en daarom de daaruit voortvloeiende verbintenissen moet nakomen. Chemours betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de transformatoren tot een net behoren in de zin van artikel 1, eerste lid, onder i, van de Elektriciteitswet 1998 (verder: Ew). De
tweede griefklaagt over de omschrijving door de rechtbank van de kern van het geschil tussen partijen: of de transformatoren deel uitmaken van het openbare net van Stedin of van het particuliere net van Desco C.V. (verder: Desco). Chemours betoogt dat de centrale vraag is of Chemours als afnemer op het net van Stedin is aangesloten, dan wel of de transformatoren behoren tot een net in de zin van de Ew, waarbij Desco de afnemer is in de zin van de Ew. De
derde griefvalt het oordeel van de rechtbank aan dat de transformatoren in elk geval niet tot het openbare net van Stedin behoren en dat daarom de kosten van de transformatoren geen zogenaamde diepe aansluitkosten zijn. Ook de
zevende griefheeft op dat oordeel betrekking. De
vierde griefbetwist de overweging van de rechtbank dat partijen zijn overeengekomen dat het overdrachtspunt van de geleverde stroom zich aan de primaire kant van de transformatoren bevindt. Chemours betoogt dat ingevolge de Ew de bepaling van het overdrachtspunt niet enkel afhankelijk is van een contractuele afspraak, maar van de partij die zich achter de aansluiting bevindt. Met haar
vijfde griefbetoogt Chemours dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat Stedin op grond van de Ew niet bevoegd is transformatoren te verhuren. De
zesde griefbetreft het oordeel van de rechtbank dat Chemours als degene die de Overeenkomsten met Stedin heeft gesloten, de daaruit voortvloeiende verbintenissen dient na te komen. Chemours betoogt dat de Overeenkomsten in strijd zijn met artikel 5:20, tweede lid, BW en met de Ew, doordat zij er allemaal van uitgaan dat Chemours de afnemer in de zin van de Ew is. Zij stelt dat de verplichting om aansluittarieven, transporttarieven en systeemdiensttarieven aan Stedin te betalen en de contractuele verplichting om een onderhoudsvergoeding voor de transformatoren te betalen, in strijd zijn met de wet. De
achtste en negende griefvechten achtereenvolgens de verwerping van het betoog van Chemours aan dat uit haar stellingen volgt dat Stedin haar contractuele verplichtingen op grond van de
Aansluitovereenkomst per definitie niet kan nakomen, en het oordeel van de rechtbank dat Chemours niet heeft onderbouwd dat Stedin ingevolge de Ew geen vergoeding van aansluitkosten en elektriciteitstransport bij Chemours in rekening mag brengen. Chemours brengt naar voren dat Desco eigenaar is van de transformatoren en dat Stedin geen toestemming van Desco heeft de transformatoren aan Chemours te verhuren, en voorts dat Desco de afnemer is en dat daaruit volgt dat Stedin geen stroom aan Chemours kan leveren en dat Stedin wettelijk geen aansluit- en transporttarieven aan Chemours mag vragen. De
tiende griefkeert zich tegen de afwijzing door de rechtbank van de gevorderde verklaring voor recht dat de Vaststellingsovereenkomst strijdig is met de wet. Chemours stelt dat die overeenkomst niet in stand kan blijven omdat de Aansluitovereenkomst en de Verhuurovereenkomst in strijd zijn met de wet.