Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 11 april 2017
[geïntimeerde] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
als[appellanten] , als cessionaris van de vordering van [verkoper] op de notaris, jegens de notaris aanspraak kunnen maken op betaling van bedragen waarvan vaststaat dat [verkoper] noch de curator in het faillissement van [verkoper] een betaling heeft gedaan of in de toekomst zal doen. Het hof leest de grief en de toelichting daarop in die zin dat [appellanten] zich op het standpunt stellen dat [verkoper] in totaal € 2.500,- aan [appellanten] heeft betaald, zodat dit bedrag wel toewijsbaar is. Voor zover [appellanten] hebben bedoeld om wel (mede) een grief te richten tegen het oordeel van de rechtbank als vermeld in de eerste zin van deze overweging, wordt deze grief afgewezen nu deze niet is toegelicht en onderbouwd.
voegen hier nog aan toe dat de notaris bovendien nog een beroepsfout heeft gemaakt door hen niet te adviseren om een deel van de koopsom achter te houden, of in depot bij de notaris te storten, totdat [verkoper] aan haar saneringsverplichting zou hebben voldaan.
Het hof is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat de notaris is geschaad in zijn bewijspositie op een zodanige wijze dat dit een beroep op artikel 6:89 BW Pro rechtvaardigt. Daarbij wijst het hof er op dat de bewijslast in deze zaak met betrekking tot de feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot aansprakelijkheid van de notaris op [appellanten] rust, dat de notaris in de door [verkoper] aangespannen tuchtrechtelijke procedure reeds uitgebreid inhoudelijk verweer heeft gevoerd over het gebeuren rond de aanvulling van artikel 8 van Pro de leveringsakte, en dat de notaris niet heeft betwist dat hij het dossier nog in zijn bezit heeft. Dat er concrete bewijsmiddelen verloren zijn gegaan die voor de bewijspositie van de notaris van belang zijn, is onvoldoende onderbouwd. Dat [appellanten] zich in eerste instantie hebben gericht tot [verkoper] , die vervolgens in financiële problemen bleek te verkeren en uiteindelijk failliet ging, kan hun in redelijkheid niet worden verweten. Het hof ziet niet in waarom een oplossing of overleg tussen partijen daardoor niet meer mogelijk was.
Beslissing
- laat [appellanten] toe tot het bewijs dat, in de situatie dat de notaris de aanvulling van artikel 8 van Pro de leveringsakte met [verkoper] zou hebben besproken, [verkoper] zou hebben gezegd dat zij de saneringskosten niet voor haar rekening wilde nemen;
- bepaalt dat, indien [appellanten] getuigen willen doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. J.M.T. van der Hoeven-Oud, op
- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden juli tot en met september van 2017, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;
- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;
- houdt iedere verdere beslissing aan.