Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 18 april 2017
[naam],
geïntimeerde in het incidenteel appel,
Aegon Levensverzekeringen N.V.,
appellante in het incidenteel appel,
Het geding
De beoordeling in hoger beroep
De feiten
“Met betrekking tot het tijdelijk nabestaandenpensioen is gebleken dat dit inderdaad op risicobasis is en dat er dus geen rechten aan ontlee(n)d kunnen worden. Dus volgens mij niet meer vermelden op de opgave.Met betrekking tot het tijdelijk ouderdomspensioen (vroegpensioen) hebben jullie, bij een deel van de werknemers, een saldo meegenomen dat de werknemers nog moeten verdienen door hier te werken. In het begin van onze vroegpensioenregeling hebben de werknemers die op dat moment ouder waren dan 35 jaar de “verstreken” jaren gekregen onder de voorwaarden dat ze deze nog moesten verdienen (per gewerkt jaar een realisatie van een deel) door tot 62 jaar bij het bedrijf te blijven. Als nu iemand voor zijn 62ste het bedrijf verlaat dan vervallen de nog niet opgebouwde rechten. Deze, nog op te bouwen, rechten niet vermelden op de opgave.”
“24 oktober jl. ontving u een brief van AEGON omtrent de ingang van uw TREGA prepensioen. In deze brief is een fout geslopen, waarvoor wij onze excuses aanbieden.Deelnemernummer […]Indien de betreffende brief wordt voor deelnemernummer […] een bedrag genoemd van bruto € 38.950,00. Dit bedrag is niet correct. Het bedrag van € 38.950,00 komt overeen met de eerste polis die u rond december 2006 van AEGON heeft ontvangen. Echter, rond oktober 2007 heeft er op verzoek van TREGA een correctie plaatsgevonden. U heeft rond deze periode een nieuwe polis van AEGON ontvangen. Het correcte bedrag aan levenslang ouderdomspensioen(het hof begrijpt: prepensioen)
voor deelnemernummer […] bedraagt € 33.890,15 bruto per jaar. Dit bedrag wordt nu ook in maandelijkse termijnen aan u uitgekeerd.Deelnemernummer […]Het bedrag dat voor deelnemernummer […] wordt genoemd is wel correct.”
I. voor recht verklaart dat Aegon gehouden is de aanspraken van [appellant] op tijdelijk
II Aegon uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt:
In de (gezamenlijke) toelichting op deze grieven betoogt [appellant] dat de kern van het geschil is wat Aegon nu precies van het Pensioenfonds heeft overgenomen en voortgezet, en welke afspraken daarover zijn gemaakt. Hierover is Aegon volgens [appellant] ronduit schimmig geweest. Pas bij brief van 17 november 2008 heeft Aegon de hoogte van het TOP naar beneden bijgesteld, terwijl het recht op TOP al per 1 november 2007 was ingegaan, aldus [appellant]. Het oordeel van de kantonrechter in overweging 5.6 van het tussenvonnis dat [appellant] mogelijk het Pensionfonds en/of Trega had kunnen aanspreken acht [appellant] niet juist, omdat de brief van Aegon pas kort voor het faillissement van Trega is verstuurd. Om die reden is ook overweging 2.7 van het eindvonnis, inhoudende dat de verlaging van het TOP niet aan Aegon kan worden toegerekend, volgens [appellant] niet juist. Als gevolg van de vertraging in de informatie van Aegon is volgens [appellant] hem de mogelijkheid ontnomen om Trega en/of het Pensioenfonds (in liquidatie) aan te spreken. Voorts betoogt [appellant] dat de kantonrechter heeft miskend dat Aegon een financiële onderneming is in de zin van artikel 1:1 Wft Pro, zodat op haar in het kader van haar verweer een verzwaarde stelplicht rust. Nu Aegon de ten deze relevante overeenkomst van overdracht achterhoudt, en mede gelet op de overige feiten en omstandigheden waaronder de mededelingen van Trega en het Pensioenfonds op basis waarvan [appellant] er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat zijn (toekomstige) pensioenaanspraken na de overdracht aan Aegon niet zouden worden aangetast, dient de bewijslast van de door Aegon aan [appellant] gedane toezegging volgens hem te worden omgekeerd. Verder acht [appellant] overweging 5.10 van het tussenvonnis, inhoudende dat Aegon niet verantwoordelijk is voor uitlatingen van het Pensioenfonds en/of Trega, niet correct, aangezien Aegon volgens [appellant] als uitvoerder van de met het Pensioenfonds en/of Trega gemaakte afspraken, mede verantwoordelijk is voor de uitvoering van de in het kader van die overdracht jegens [appellant] middels mededelingen en uitlatingen gewekte verwachtingen.
nabetaling van TOP.
Deze, nog op te bouwen, rechten niet vermelden op de opgave.”Ook dit wijst er geenszins op dat de verplichting tot het bieden van extra inhaalopbouw voor het vroegpensioen onderdeel is geweest van de overdracht aan Aegon. Dat in de brief van het Pensioenfonds van januari 2007, waarbij de liquidatie pensioenopgave is gevoegd, is vermeld dat de eventuele voortzetting van de pensioenopbouw vanaf 31 december 2004 vanwege (onder meer) arbeidsongeschiktheid is overgenomen door Aegon, en dat deze toekomstige pensioenopbouw, bij ongewijzigde voortzetting, niet meer op de liquidatie pensioenopgave van het Pensioenfonds is vermeld, leidt niet tot een ander oordeel. Aan deze algemeen geformuleerde zin uit een brief van het Pensioenfonds kan [appellant] redelijkerwijs niet het vertrouwen ontlenen dat Aegon ook de extra inhaalopbouw ter zake van het TOP zou bieden.
“Aegon zal spoedig de pensioenopgave vanaf 1-1-2005 verstrekken. Deze twee opgaves moeten gelijk zijn, hetgeen voor u een bewijs is dat de overdracht correct verlopen is.”[appellant] had derhalve zelf eenvoudig kunnen en moeten zien dat het bij brief van 26 juli 2007 door Aegon meegedeelde bedrag aan TOP van € 38.950,-, niet overeenstemde met het bedrag aan TOP van € 33.890,15 zoals vermeld op de liquidatie pensioenopgave van het Pensioenfonds. Indien hij van mening zou zijn geweest dat het bedrag aan TOP van € 33.890,15 op de liquidatie pensioenopgave niet juist was, had hij op dat moment nog alle tijd om Trega en/of het Pensioenfonds daarop aan te spreken. Dit heeft hij niet gedaan. Daarbij merkt het hof bovendien nog op dat het door Aegon gecorrigeerde bedrag aan TOP van € 33.890,15 niet pas blijkt uit de brief van Aegon van 17 november 2008, maar ook al was vermeld op de pensioenopgave van Aegon van 5 januari 2008. Er is dus ook geen sprake van een gedurende langere tijd door Aegon voortgezette fout. En nog minder is aan de orde een fout waarop [appellant] relevante beslissingen heeft gebaseerd (althans [appellant] heeft geen daarop gerichte stellingen betrokken). Een en ander is van belang voor het geval aangenomen zou moeten worden dat (anders dan het hof meent) de fout van Aegon niet eenvoudig kenbaar was.
terzake van TNP, overweegt het hof als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat het TNP, zoals dit gold bij het Pensioenfonds, een risicoverzekering betrof, die naar zijn aard geen waardeopbouw kent waardoor evenmin sprake is van opgebouwde aanspraken. Op de door het Pensioenfonds aan [appellant] toegestuurde liquidatie pensioenopgave per 31-12-2004 is, in overeenstemming daarmee, voor [appellant] een opgebouwd Tijdelijk Nabestaandenpensioen (TNP) van € 0 vermeld. Van enige waardeoverdracht door het Pensioenfonds aan Aegon is ter zake van het TNP dan ook geen sprake geweest. Dat is in lijn met het principe dat een waardeoverdracht slechts opgebouwde aanspraken betreft. Dat Aegon krachtens haar overeenkomst met Trega/het Pensioenfonds gehouden was om ten behoeve van onder meer [appellant] voor de periode na 1 januari 2005 een risicodekking voor het TNP te bieden, is niet aannemelijk geworden. Het hof wijst er op dat voor de periode vanaf 1 januari 2005 in de overeenkomst tot collectieve verzekering nr. […] in artikel 3 (“Begunstiging”) uitsluitend een levenslang nabestaandenpensioen is vermeld, en geen tijdelijk nabestaandenpensioen, terwijl het TNP voor de periode tot 1 januari 2005 nog wel is vermeld in artikel 3 van Pro de overeenkomst tot collectieve verzekering nr. […]. Daar komt nog bij dat, zo er na 1 januari 2005 al een dergelijke risicoverzekering met betrekking tot het TNP was geweest, niet aannemelijk is dat [appellant] hier thans nog rechten aan zou hebben kunnen ontlenen. Het is immers niet aannemelijk dat Trega na haar faillissement nog enige premie voor een dergelijke risicoverzekering zou hebben betaald, terwijl niets er op wijst dat het risico van financiële onmacht van Trega is afgekocht.
Beslissing
- wijst de incidentele vordering tot overlegging ex artikel 843a Rv af;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het incident, welke kosten aan de zijde van Aegon worden begroot op nihil;
- veroordeelt Aegon tot berekening van de aanpassing (indexatie) van de pensioenaanspraken en ingegane pensioenen van [appellant] over de periode van 1 januari 2005 tot heden, zulks met toepassing van de voorwaarden van artikel 18 Pensioenreglement Pro, waarbij de berekening gereed moet zijn vóór 1 augustus 2017, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per maand of gedeelte daarvan dat Aegon hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,-;
- veroordeelt Aegon tot betaling van bovenstaande indexatie aan [appellant] binnen één maand na het gereed zijn van voormelde berekening;
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank voor het overige;
- compenseert de kosten, zowel in het principaal als incidenteel appel, in die zin dat elke partij zijn/haar eigen kosten draagt;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.