Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 25 april 2017
[appellant],
1. [geïntimeerde 1]
2. [geïntimeerde 2],
Het geding
De feiten
De vorderingen en beslissingen in eerste aanleg
De beoordeling van het hoger beroep
grief 1voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerden] niet voor de door hem extra uitgevoerde werkzaamheden (materiaal en arbeid), die niet in de offerte waren opgenomen, hoeven te betalen. Met
grief 2komt [appellant] op tegen de veroordeling in de proceskosten.
Grief 1betreft de kosten van het rapport van het Bureau voor Bouwpathologie. [geïntimeerden] voeren in de eerste plaats aan dat de kantonrechter in rechtsoverweging 19 van het vonnis van 1 november 2013 heeft geoordeeld dat deze kosten voor de helft zullen worden toegewezen, maar dat hij heeft verzuimd om daar in het vonnis van 5 december 2014 op terug te komen. In de tweede plaats betogen [geïntimeerden] dat niet slechts de helft, maar alle kosten van het rapport moeten worden toegewezen. Met
grief 2maken [geïntimeerden] bezwaar tegen het oordeel van de kantonrechter dat hun reconventionele vordering van € 6.495,55 uit hoofde van onverschuldigde betaling moet worden afgewezen. Met
grief 3voeren [geïntimeerden] aan dat [appellant] inmiddels is verhuisd naar Duitsland, in verband waarmee zij verzoeken om het arrest te voorzien van een Europese executoriale titel.
“VOOR:uren meer werk”en factuur 1098
“VOOR:materialen extra”. [appellant] stelt dat factuur 1097 extra arbeidsuren betreft in verband met meerwerk dat hij in opdracht van [geïntimeerden] heeft uitgevoerd, en factuur 1098 de in verband met dit meerwerk gebruikte extra materialen.
“In de bijlage zit de restant factuur op de aanneemsom, deze is sluitend op je voorgaande factuur op de offerte van € 11.900.- met deze factuur kom je op het totaal van bedrag van de overeengekomen aanneem som van € 54.511.52. Tevens rest dan nog de factuur van de extra uren a € 8431.15. Zodra de gehele aanneemsomen de materiaalfacturenvoldaan zijn kunnen we deze nota eventueel bespreken.”[onderstreping toegevoegd door het hof]. Uit deze e-mail volgt juist - anders dan [geïntimeerden] betogen - dat er volgens [appellant] materiaalfacturen voldaan dienden te worden, naast de aanneemsom van € 54.511,52, en dat [appellant] alleen bereid was om over de factuur van € 8.431,15 (factuur 1097) inzake de extra arbeidsuren te praten. Nadat [geïntimeerden] (blijkens de door hen overgelegde bankafschriften, productie 12 bij conclusie van antwoord) op 9 mei 2012 de laatste materiaalfactuur inzake de tegels (van € 825,68) en op 11 mei 2012 factuur 1098 met als omschrijving “extra materiaalkosten” hadden voldaan, meldt [appellant] per e-mail van 12 mei 2012 dat op dat moment nog open staan facturen inzake de aanneemsom en de factuur van de extra uren (hof: factuur 1097). Gelet op het feit dat factuur 1098 op dat moment al was voldaan, kan ook uit deze e-mail niet worden afgeleid dat deze factuur volgens [appellant] onder de aanneemsom viel, althans dat [geïntimeerden] niet hadden hoeven begrijpen dat deze factuur extra materiaal betrof dat niet onder de aanneemsom viel.