Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 2 mei 2017
[naam] ,
1. [naam] ,
2. [naam] ,
3. [naam] ,
4. [naam] ,
[naam] ,
[naam] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
1, toevoeging hof]
BW ten dienste van de
gedaagden sub 3 en sub 4, kadastraal bekend gemeente Rijnsaterwoude, sectie […] nummer […] en over de percelen van gedaagde sub 5, kadastraal bekend gemeente Rijnsaterwoude, sectie […] nummer […] en […] , met de volgende voorwaarden:
) gedaagden, kadastraal bekend gemeente Rijnsaterwoude, sectie […] nummers […] , […] en […] met de percelen kadastraal bekend gemeente Rijnsaterwoude, sectie […] nummers […] en […] aan oostelijke zijde van laatstgenoemde percelen, overeenkomstig de tekening die als productie 10 aan de inleidende dagvaarding is gehecht;
] BW ten dienste van de
) gedaagden sub 3 en sub 4, kadastraal bekend gemeente Rijnsaterwoude, sectie […] nummer […] en van (oorspronkelijk– toevoeging hof
) gedaagde sub 5, kadastraal bekend gemeente Rijnsaterwoude, sectie […] nummers […] en […] , met de volgende voorwaarden:
) gedaagde sub 5, kadastraal bekend gemeente Rijnsaterwoude, sectie […] nummer […] , met aanliggende percelen van recreatiewoningen, met de volgende voorwaarden:
] BW ten dienste van de
] BW ten dienste van de
Grief 1van [A] is gericht tegen rovv. 4.3 tot en met 4.6.3., waarin de rechtbank de primaire en meer subsidiaire vordering van [A] heeft afgewezen en de subsidiaire vordering heeft toegewezen, met wijziging van de voorwaarden. Volgens [A] is de redenering van de rechtbank dat zijn belang moet wijken voor het belang van [D] om niet blijvend 150 m² van zijn terrein op te offeren innerlijk tegenstrijdig, omdat het brievenbustracé een groter beslag legt op het terrein van [D] dan het oost- of het westtracé. Verder heeft de rechtbank naar de mening van [A] ten onrechte het oosttracé en het westtracé als noodweg verworpen met het oog op de bescherming van de privacy van [B] c.s. Bij gebruik van het oosttracé blijft [A] ver af van de molen en het bijgebouw van [B] c.s. Bij gebruik van het westtracé passeert [A] de achterzijde van het bijgebouw. Bij gebruik van het brievenbustracé loopt [A] daarentegen op enkele meters afstand langs de achterdeur van de molen. Ten slotte heeft de rechtbank volgens [A] ten onrechte mee laten wegen dat [D] zich met het brievenbustracé kan verenigen. Dat is geen rechtens te respecteren belang en overigens heeft [D] tijdens de comparitie formeel nergens mee ingestemd, aldus [A] . Bij een juiste afweging van de betrokken belangen zou het oost- of het westtracé als noodweg moeten worden aangewezen. Met
grief 2komt [A] op tegen de afwijzing van zijn vordering in rov. 4.6.4. van het vonnis om op de noodweg een schelpenpad aan te mogen leggen. Schelpen (of houtsnippers of boomschors) worden niet als “verharding” gezien en de aanleg van een pad met dergelijke materialen is volgens [A] verenigbaar met de belangen van alle partijen.
Grief 3van [A] keert zich tegen zijn veroordeling in de proceskosten.
Grief 1van [D] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.2.2. dat toegang via openbaar vaarwater niet als behoorlijke toegang kan worden aangemerkt. Volgens [D] kan geen aanwijzing van een noodweg worden gevorderd indien toegang via openbaar vaarwater mogelijk is. Verder is [D] het oneens met de overweging van de rechtbank dat toegang via openbaar vaarwater in dit concrete geval geen behoorlijke toegang is. [A] gebruikt zijn woonark voornamelijk in de zomer, zodat de weersomstandigheden in de winter van ondergeschikt belang zijn. Ook heeft de rechtbank te veel gewicht toegekend aan de golfslag op het Braassemermeer, die [A] niet verhindert om zijn woonark te bereiken via openbaar vaarwater. Bovendien heeft [A] altijd geweten dat de door hem gekochte percelen geen (legale) toegang hadden tot de openbare weg. Dat is verdisconteerd in de koopprijs van de percelen, aldus [D] . Met
grief 2verwijt [D] de rechtbank dat zij niet is ingegaan op het Herenwegtracé dat zijns inziens zeer geschikt is als noodweg.
Grief 3keert zich tegen de aanwijzing van het brievenbustracé als noodweg. [A] heeft in eerste aanleg niet gevorderd dat het brievenbustracé als noodweg wordt aangewezen. Weliswaar heeft [D] tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg aangegeven dat het brievenbustracé voor hem bespreekbaar zou zijn tegen een door [A] te betalen vergoeding, maar dat zag op de situatie waarin een minnelijke regeling getroffen zou worden. [D] heeft zich niet
a priorineergelegd bij de aanwijzing van het brievenbustracé als noodweg. Met
grief 4komt [D] op tegen de door de rechtbank vastgestelde vergoeding, en de afwijzing van zijn verzoek tot benoeming van een deskundige om deze vergoeding vast te stellen. Naar de mening van [D] heeft de rechtbank miskend dat de aanwijzing van het brievenbustracé een aanzienlijke inperking betekent van zijn eigendomsrecht en bij verkoop van zijn perceel een groot waardedrukkend effect zal hebben.
Beslissing
- verwijst zaak 200.174.902/01 naar de rol van 30 mei 2017 zodat partijen zich kunnen uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige en de te stellen vragen;
- houdt iedere verdere beslissing in zaak 200.174.902/01 en zaak 200.176.133/01 aan.