ECLI:NL:GHDHA:2017:1368
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging zorgplicht bank bij kredietovereenkomst voor franchisenemer ondanks slechte financiële positie franchisegever
In deze civiele zaak vordert Rabobank betaling van een openstaand kredietbedrag van €100.000 van [appellant], franchisenemer van een bakkerswinkel. De rechtbank veroordeelde [appellant] tot betaling, wat hij in hoger beroep aanvocht met het verweer dat Rabobank haar zorgplicht had geschonden door hem niet te waarschuwen voor de slechte financiële situatie van de franchisegever.
Het hof stelt vast dat Rabobank als kredietgever een zorgplicht heeft om de kredietnemer te informeren over de risico’s van de kredietovereenkomst, mede afhankelijk van de omstandigheden zoals ervaring van de kredietnemer en complexiteit van het krediet. Hoewel [appellant] stelde dat hij gebonden was aan de franchiseovereenkomst en dat Rabobank op de hoogte moest zijn van de slechte financiële positie van de franchisegever, heeft hij onvoldoende bewijs geleverd dat de bank deze situatie kende of dat de financiële positie op dat moment onhoudbaar was.
Het hof oordeelt dat de risico’s voor [appellant] overzichtelijk waren en dat zijn leeftijd en ervaring niet meebrengen dat Rabobank een zwaardere zorgplicht had. Ook is niet gebleken dat [appellant] zelf vragen stelde over de franchisegever. De grief faalt en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd, waarbij [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het hoger beroep van [appellant] af wegens onvoldoende bewijs van schending van de zorgplicht door Rabobank.