ECLI:NL:GHDHA:2017:137

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 januari 2017
Publicatiedatum
27 januari 2017
Zaaknummer
200.193.354/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 RvArt. 806 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep bijstandsverhaal: vaststelling verhaalsbijdrage en ontvankelijkheid

De man kwam in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin werd vastgesteld dat hij een maandelijkse bijdrage van €425 moest betalen aan de gemeente voor bijstandsverhaal ten behoeve van zijn minderjarige kind en de moeder. Het hof beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het hoger beroep, waarbij de man stelde dat hij pas in april 2016 kennis had genomen van de beschikking, waardoor zijn beroep tijdig was ingesteld binnen de termijn van artikel 358 lid 2 Rv Pro.

De gemeente betwistte dit en stelde dat de man al eerder op de hoogte was, onder meer door correspondentie en aanmaningen, en dat artikel 806 Rv Pro van toepassing was. Het hof oordeelde echter dat artikel 358 lid 2 Rv Pro van toepassing is en dat de man niet eerder bekend was met de beschikking, waardoor zijn hoger beroep ontvankelijk is.

Inhoudelijk was in geschil de omvang van de verhaalsbijdrage. Partijen kwamen ter zitting overeen dat de bijdrage nihil is tot 1 oktober 2013 en €1.500 voor de periode van 1 oktober 2013 tot 19 februari 2016, te voldoen in maandelijkse termijnen van €75. Het hof vernietigde de bestreden beschikking en stelde de bijdrage conform deze overeenkomst vast. Iedere partij draagt zijn eigen proceskosten.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk en stelt de verhaalsbijdrage vast op nihil tot 1 oktober 2013 en €1.500 over de periode daarna, te voldoen in maandelijkse termijnen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 11 januari 2017
Zaaknummer : 200.193.354/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-2120
Zaaknummer rechtbank : 415695
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. L.C. Zandwijk te Rotterdam,
tegen
de GEMEENTE [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gemeente,
gemachtigde: [gemachtigde] .

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 16 juni 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 7 september 2012 van de rechtbank Rotterdam.
De gemeente heeft op 29 juli 2016 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de man:
- op 21 juli 2016 een brief van 20 juli 2016 met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;
- op 25 november 2016 een brief van 24 november 2016 met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.
De zaak is op 28 december 2016 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de gemachtigde en [naam 1] namens de gemeente.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, het bedrag dat de man ten aanzien van verhaal van de kosten van bijstand verleend aan [naam 2] , mede ten behoeve van zijn na te noemen minderjarige kind met ingang van 1 april 2011 aan de gemeente dient te betalen, vastgesteld op € 425,-- per maand, zolang en voor zover die bijstandsverlening aan [naam 2] , mede ten behoeve van de minderjarige, voortduurt.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Onder meer staat het volgende vast:
- uit [naam 2] (hierna te noemen: de vrouw) is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen: de minderjarige;
  • de man heeft de minderjarige erkend;
  • aan de vrouw is mede ten behoeve van de minderjarige in de periode vanaf 10 januari 2011 tot 19 februari 2016 bijstand verleend;
  • de man is onderhoudsplichtig jegens de minderjarige.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

1. De beschikking waarvan beroep is gegeven op 7 september 2012, terwijl het beroepschrift van de man is ingediend op 16 juni 2016. De man is niet in de procedure in eerste aanleg verschenen. Hij stelt dat hij eerst bij brief van de gemeente van 5 april 2016, waarbij als bijlage de bestreden beschikking was bijgevoegd, kennis kreeg van het bestaan van de bestreden beschikking. Eerst vanaf 5 april 2016 is volgens de man de termijn van het hoger beroep aangevangen en hij meent dan ook dat het hoger beroep ingevolge artikel 358 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tijdig is ingesteld.
2. De gemeente wijst erop dat er alvorens een verzoekschrift is ingediend, al eerdere correspondentie tussen de man en de gemeente heeft plaatsgevonden, zodat de man geacht wordt op de hoogte te zijn geweest van een lopende procedure tot bijstandsverhaal. Na ontvangst van de bestreden beschikking is de man op 18 september 2012 aangeschreven inzake de bestreden beschikking op het adres [adres] te [plaats] . Dit adres werd op dat moment door het UWV in haar polisadministratie gevoerd. Daar een reactie van de man, alsmede betalingen uitbleven, is op 21 november 2012 besloten om tot vereenvoudigd derdenbeslag over te gaan onder [bedrijf] Op 3 december 2012 reageert [bedrijf] met de mededeling dat de man uit dienst is, zodat het vereenvoudigde derdenbeslag geen effect heeft gehad. De man is ook op 30 september 2013 aangeschreven inzake de door hem verschuldigde onderhoudsbijdrage als gevolg van het ontbreken van incasso-mogelijkheden. Hoewel laatstgemelde brief niet centraal is verzonden en dientengevolge niet is opgenomen in een deugdelijke verzendadministratie, geldt dat wel voor de afzonderlijk verzonden brief/ acceptgirokaart van 1 oktober 2013. Over deze centrale verzendadministratie heeft de gemeente ( in een andere zaak) geprocedeerd tot en met de Centrale Raad van Beroep en zij heeft deze als deugdelijk gekwalificeerd. De gemeente stelt dan ook gelet op het voorstaande dat de man al in oktober 2013 geacht wordt op de hoogte te zijn geweest van het bijstandsverhaal c.q. de bestreden beschikking zodat de man op grond van het bepaalde in artikel 806 Rv Pro niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
3. Het hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 358 lid 2 Rv Pro hoger beroep door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. Anders dan de gemeente stelt, is niet artikel 806 Rv Pro van toepassing voor wat betreft de appeltermijn, maar artikel 358 Rv Pro. Het betreft hier een zaak van bijstandsverhaal en daarmee niet een van personen- en familierecht. Dat daarbij de regelingen zoals die gelden voor zaken van levensonderhoud, grondslag vormen voor de inhoudelijke beoordeling van de zaak, maakt dit niet anders.
4. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de man in eerste aanleg niet in de procedure is verschenen. Aldus valt hij onder de in artikel 358 Rv Pro vermelde andere belanghebbenden, die in hoger beroep moeten komen binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. De man stelt dat de bestreden beschikking eerst in april 2016 aan hem bekend is geworden na kennisneming van de brief van 5 april 2016 van de gemeente, waarbij als bijlage deze beschikking was gevoegd. De man stelt dat hij de bestreden beschikking niet eerder heeft ontvangen. Door de gemeente is niet gesteld, noch is gebleken dat de bestreden beschikking de man door middel van betekening bekend is geworden. Het hof gaat daarbij voorbij aan de stellingen van de gemeente ten aanzien van de vóór de procedure met de man gevoerde correspondentie, de aanschrijving door de gemeente op 18 september 2012, het vereenvoudigd derdenbeslag onder [bedrijf] (de man werkte niet meer bij [bedrijf] toen dit beslag werd gelegd), en in het bijzonder de aanschrijving van 30 september 2013 en de brief/acceptgirokaart van 1 oktober 2013, aangezien met al deze correspondentie, zo de man deze al zou hebben ontvangen, niet is aangetoond dat de man daarmee bekend is geworden met (de inhoud van de) bestreden beschikking. Het hof moet er bij gebreke van andere gegevens dan ook van uitgaan dat de bestreden beschikking de man eerst op 5 april 2016 bekend is geworden, zodat op die datum de appel termijn is gaan lopen. Nu de man zijn beroepschrift op 16 juni 2016 heeft ingediend, derhalve binnen de geldende appeltermijn, is hij ontvankelijk in zijn hoger beroep.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

5. In geschil is de omvang van de verhaalsbijdrage ten laste van de man.
6. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de bijdrage die de man aan de gemeente dient te betalen ten aanzien van verhaal van de kosten van bijstand verleend aan de vrouw, mede ten behoeve van de minderjarige, met ingang van 1 april 2011 tot 19 februari 2016, zijnde de datum van beëindiging van de bijstandsverlening aan de vrouw, vast te stellen op nihil, dan we, op een door het hof vast te stellen bedrag, kosten rechtens
.
7. De gemeente verweert zich daartegen en verzoekt het hof primair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, subsidiair de onderhoudsbijdrage ingaande 1 oktober 2013 vast te stellen op € 113,32 (na wettelijke indexering) per maand, zolang er sprake was van bijstandsverlening aan de vrouw, mede ten behoeve van de minderjarige.
8. Ter zitting in hoger beroep zijn partijen overeengekomen dat de totale door de man aan de gemeente te betalen verhaalsbijdrage over de periode tot 1 oktober 2013 nihil bedraagt en van 1 oktober 2013 tot 19 februari 2016 € 1.500,-- bedraagt. De man zal dit bedrag voldoen in maandelijkse termijnen van € 75,--, welke eerste termijn door de man verschuldigd zal zijn op 1 februari 2017 en welke (eerste) termijn vóór de eerste van de volgende maand, derhalve vóór 1 maart 2017, dient te zijn voldaan. De tweede termijn zal door de man verschuldigd zijn op 1 maart 2017, door de man te voldoen vóór 1 april 2017 en hetzelfde geldt vervolgens aldus voor de daaropvolgende maandelijkse termijnen. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
9. Het hof zal, nu partijen overeenstemming hebben bereikt, dienovereenkomstig beslissen.
10. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt de door de man man verschuldigde verhaalsbijdrage over de periode tot 1 oktober 2013 op nihil;
bepaalt de door de man over de periode van 1 oktober 2013 tot 19 februari 2016 te betalen verhaalsbijdrage op een bedrag van in totaal € 1.500,- in maandelijkse termijnen van € 75,- aan de gemeente te voldoen, welke eerste termijn de man verschuldigd zal zijn op 1 februari 2017, en welke termijn door de man dient te worden voldaan vóór de eerste van de daarop volgende maand, voor de eerste termijn derhalve vóór 1 maart 2017, de tweede termijn zal door de man verschuldigd zijn op
1 maart 2017, door de man te voldoen vóór 1 april 2017 en hetzelfde geldt vervolgens aldus voor de daaropvolgende maandelijkse termijnen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Mink, A.H.N. Stollenwerck en M.Th. Linsen-Penning-de Vries, bijgestaan door mr. P.E.C.M. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 januari 2017.