Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2017:1472

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2017
Publicatiedatum
24 mei 2017
Zaaknummer
22-003787-16
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 123b WVWArt. 8 WVWArt. 9 WVWArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ongeldig verklaard rijbewijs bij rijden

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het besturen van een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs volgens artikel 123b, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994 (WVW) zijn geldigheid had verloren. Het hof in hoger beroep vernietigde dit vonnis en sprak de verdachte vrij omdat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen.

De tenlastelegging betrof het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs op 15 april 2016 te Delft. Volgens artikel 123b WVW verliest een rijbewijs zijn geldigheid automatisch indien de houder onherroepelijk is veroordeeld voor een alcoholgerelateerde overtreding binnen vijf jaar. De brief van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CVOM) stelde dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig was geworden door een onherroepelijke veroordeling van 2 juli 2015.

Echter ontbrak in het dossier het vonnis van 2 juli 2015, waardoor het hof niet kon vaststellen of de verdachte inderdaad een alcoholgehalte boven de wettelijke norm had. Ook het uittreksel Justitiële Documentatie gaf hierover geen duidelijkheid. Hierdoor kon het hof niet aannemen dat het rijbewijs rechtsgeldig ongeldig was verklaard en sprak de verdachte vrij.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht door de verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde. De uitspraak werd gedaan op 2 mei 2017 door het Gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat zijn rijbewijs ongeldig was op het moment van het rijden.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003787-16
Parketnummer: 96-080713-16
Datum uitspraak: 2 mei 2017
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op
[geboortejaar] 1970,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 18 april 2017.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd - met toepassing van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht - met uitzondering van de opgelegde straf. De verdachte dient ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld te worden tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week, met een proeftijd van twee jaren.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 15 april 2016 te Delft, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid overeenkomstig artikel 123b, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 had verloren en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, het Brassersplein, als bestuurder een motorrijtuig (bedrijfsauto (bestelauto)), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt het volgende.
Het in de tenlastelegging genoemde artikel 123b, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) bepaalt – voor zover hier van belang – dat een rijbewijs zijn geldigheid verliest indien een houder bij een onherroepelijke rechterlijke uitspraak als bestuurder van een motorvoertuig is veroordeeld wegens overtreding van artikel 8, tweede lid, van de WVW en het alcoholgehalte in zijn adem hoger blijkt te zijn dan 570 microgram per liter uitgeademde lucht dan wel dat het alcoholgehalte van zijn bloed hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed, een en ander voor zover ten tijde van het begaan van het strafbare feit nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de houder als bestuurder van een motorrijtuig onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de WVW.
Uit het voorgaande blijkt dat ingevolge artikel 123b van de WVW het verlies van de geldigheid van het rijbewijs rechtstreeks uit de wet voortvloeit indien aan de daarin genoemde voorwaarden is voldaan. De zich in het dossier bevindende brief van het CVOM d.d. 21 juli 2015 kan derhalve niet meer zijn dan een mededeling aan de betrokkene, in casu de verdachte, dat volgens het CVOM sprake is van een situatie waarin op grond van artikel 123b van de WVW het rijbewijs van de verdachte zijn geldigheid heeft verloren. Deze brief is dan ook terecht geformuleerd als een mededeling omtrent het van rechtswege ongeldig worden van dat rijbewijs. Van een onherroepelijk geworden besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is derhalve geen sprake.
Dit betekent dat de strafrechter, oordelende omtrent de bewezenverklaring van overtreding van artikel 9, tweede lid, van de WVW, zelf moet vaststellen of een rijbewijs op grond van artikel 123b, eerste lid, van de WVW zijn geldigheid heeft verloren.
In voornoemde brief van het CVOM staat dat als gevolg van een onherroepelijke veroordeling bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 2 juli 2015 verdachtes rijbewijs ongeldig is geworden op basis van artikel 123b van de WVW.
In het onderhavige dossier ontbreekt het vonnis d.d. 2 juli 2015. Het hof kan daarom niet aan de hand van dit vonnis vaststellen of er inderdaad bij de verdachte sprake was van een alcoholgehalte hoger dan 570 microgram per liter uitgeademde lucht of hoger dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed. Tevens kan dit niet worden afgeleid uit een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 maart 2017, nu daarin alleen de opgelegde straf en bijkomende straf zijn vermeld.
Met de raadsman acht het hof dan ook het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten,
mr. S. Verheijen en mr. J.W. van den Hurk, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 mei 2017.
mr. S. Verheijen en de griffier zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.