Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 6 juni 2017
1. [appellant] ,
2. [appellante] ,
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst),
De Ontvanger van de Belastingdienst Rijnmond (kantoor Dordrecht), kantoorhoudende te Rotterdam,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- te verklaren voor recht dat het verzet deugdelijk is en dat de dwangbevelen buiten effect zijn gesteld;
- de Staat te veroordelen de aanslagen inkomstenbelasting van 1990 tot en met 2000 en de aanslagen vennootschapsbelasting van 1991 tot en met 2000 ambtshalve te corrigeren binnen twee weken na het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag;
- de Staat te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.
eerstegrief van [appellant] c.s. houdt een bezwaar in tegen de feitelijke vaststelling in het vonnis over de hiervoor in 1.6 genoemde gegevens. Het hof heeft de feiten opnieuw vastgesteld waarbij met dit bezwaar rekening is gehouden. De grief kan op zichzelf niet tot vernietiging van het vonnis leiden.
tweedegrief betoogt dat in casu alle gegevens beschikbaar zijn om de aanslag exact vast te stellen. De Ontvanger c.s. kan in een dergelijk geval niet in redelijkheid tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaan. In de
derdegrief wordt aangevoerd dat [appellant] c.s. een afschrift van de bankafschriften heeft verstrekt en dat daarmee de verschuldigde belasting exact kan worden vastgesteld. De
vierdegrief is gericht tegen het oordeel dat niet zonder meer geloofwaardig is dat [appellant] c.s. thans alle informatie over zijn buitenlandse tegoeden heeft overgelegd. Gelet op het feit dat hij ieder jaar volledig en naar waarheid aangifte deed van zijn belastbaar inkomen en vermogen, dat hij is ingekeerd, welke inkeer is aanvaard en dat hij, na aanzegging van het kort geding, alle gegevens over de rekening heeft verschaft, kan de stellingname dat hij over ander of meer vermogen zou beschikken, in redelijkheid niet worden ingenomen, aldus [appellant] c.s. De
zevendegrief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] c.s. niet heeft onderbouwd om welke reden het handelen van de inspecteur in strijd is met het ongestoord genot van eigendom zoals bedoeld in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. [appellant] c.s. heeft aangevoerd dat hij voor een veel hoger bedrag aan inkomen en vermogen is aangeslagen dan waarover hij daadwerkelijk beschikte. Volgens de
achtstegrief is het niet verlenen van ambtshalve vermindering door de inspecteur strijdig met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
is (deze bepaling) opgenomen om dubbele procedures over de hoogte van de belastingaanslag te voorkomen. Tegen aanslagen, navorderingsaanslagen en naheffingsaanslagen staan immers reeds in de heffingssfeer rechtsmiddelen open. (…) Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin de tenuitvoerlegging van een dwangbevel ter zake van een belastingaanslag die weliswaar in formele zin op de juiste wijze is vastgesteld, doch ten aanzien waarvan op zijn minst twijfel mogelijk is of die aanslag of die aanslag wel in overeenstemming is met de materiële belastingschuld, strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Onder zulke omstandigheden had de ontvanger in redelijkheid niet tot de tenuitvoerlegging mogen overgaan.”
vijfdegrief leidt de aanzegging van een boete er wel degelijk toe dat sprake is van een strafrechtelijke vervolging in de zin van art. 6 EVRM Pro.
zesdegrief voert [appellant] c.s. aan dat de informatie is gevorderd vanaf 1994 zodat hij dan ook erop mocht vertrouwen dat die gegevens zouden worden gebruikt voor de juiste vaststelling van de aanslagen over eerdere jaren dan 2012.
negendegrief wordt aangevoerd dat, ook al hebben hof en Hoge Raad het optreden van de inspecteur niet ontoelaatbaar geacht, dit niet betekent dat de omstandigheid dat de gegevens onrechtmatig zijn verkregen, niet van belang is bij de beoordeling van de vraag of de inspecteur in redelijkheid kan weigeren ambtshalve vermindering te verlenen.