Uitspraak
Uitspraak van 27 juni 2017
BK-17/00250 en BK-17/ [A] BV te [B] ,
,
,
,
,
,
,
Gerechtshof Den Haag
In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of de met ingang van 1 januari 2013 ingevoerde crisisheffing, opgenomen in artikel 32bd van de Wet LB 1964, in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM vanwege de terugwerkende kracht ervan. Belanghebbenden, verschillende vennootschappen binnen een fiscale eenheid, betwisten de afdrachten en naheffingsaanslagen loonheffingen die zien op de crisisheffing, met name omdat deze betrekking hebben op bonussen uit voorgaande jaren.
De rechtbank had de beroepen ongegrond verklaard, stellende dat de crisisheffing niet leidt tot een individuele buitensporige last en dat de regeling niet discriminerend is. Het hof bevestigt dit oordeel en verwijst naar eerdere arresten van de Hoge Raad waarin is vastgesteld dat de crisisheffing een wettelijke grondslag heeft, niet discriminerend is en dat de terugwerkende kracht geoorloofd is onder de vereisten van 'lawfulness' en 'fair balance'.
Het hof overweegt dat hoewel de invoering van de crisisheffing gerechtvaardigde verwachtingen heeft geschaad, er voldoende specifieke en dwingende redenen waren, zoals de ernstige begrotingsproblemen en de noodzaak tot snelle invoering, die deze aantasting rechtvaardigen. Ook de keuze om het loon van het voorafgaande jaar als heffingsgrondslag te nemen, wordt als gerechtvaardigd beschouwd. De hoger beroepen worden daarom ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank bevestigd.
Proceskosten worden niet toegewezen en er is geen vergoeding van het griffierecht gelast. Belanghebbenden kunnen nog cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hof verklaart de hoger beroepen ongegrond en bevestigt dat de terugwerkende kracht van de crisisheffing niet in strijd is met artikel 1 EP EVRM.