ECLI:NL:GHDHA:2017:1977
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Chr.Th.P.M. Zandhuis
- G.J. van Leijenhorst
- F.G.F. Peters
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht crisisheffing hoge lonen niet in strijd met EVRM
Belanghebbende, een onderdeel van een groot concern in bancaire diensten en verzekeringen, had voor de jaren 2013 en 2014 pseudo-eindheffing (crisisheffing) over hoge lonen afgedragen. De Inspecteur verklaarde het bezwaar tegen deze afdrachten ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de Rechtbank. De Rechtbank wees het beroep af en belanghebbende ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de met ingang van 1 januari 2013 ingevoerde crisisheffing, zoals opgenomen in artikel 32bd van de Wet LB 1964, met terugwerkende kracht wordt geheven en daarmee in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Belanghebbende stelt dat de terugwerkende kracht ontoelaatbaar is, terwijl de Inspecteur dit ontkent.
Het Hof verwijst naar eerdere arresten van de Hoge Raad waarin is geoordeeld dat de terugwerkende kracht van de crisisheffing geoorloofd is en voldoet aan de vereisten van 'lawfulness' en 'fair balance'. De crisisheffing was onderdeel van een breed pakket aan bezuinigingsmaatregelen om het begrotingstekort terug te dringen en de stabiliteit van de Europese muntunie te waarborgen. De keuze voor het jaarloon van het voorafgaande kalenderjaar als heffingsgrondslag was gerechtvaardigd vanwege de urgentie en uitvoerbaarheid.
Het Hof concludeert dat de belangenafweging door de wetgever binnen de ruime beoordelingsmarge is gebleven en dat de terugwerkende kracht niet in strijd is met artikel 1 EP Pro. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraken van de Rechtbank bevestigd. Er worden geen proceskosten toegekend en geen vergoeding van griffierecht gelast.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraken van de Rechtbank bevestigd.