Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 10 januari 2017
[naam],
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
grief 1voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte een argument dat [appellant] in eerste aanleg als reactie op het verjaringsverweer van de Staat naar voren had gebracht, in haar beoordeling heeft meegenomen als ware het een door [appellant] aangevoerde klemmende reden voor doorbreking van de formele rechtskracht.
Grief 2luidt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er naar haar oordeel geen klemmende redenen zijn om een doorbreking van de formele rechtskracht te rechtvaardigen. Met
grief 3betoogt [appellant] tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er niet zodanige klemmende redenen zijn. [appellant] wijst erop dat de RSJ slechts marginaal toetst en de beslissing van de Minister van 10 januari 2006 dus niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Voorts betoogt [appellant] dat een klemmende reden is gelegen in het PBC rapport, nu daarin is vastgesteld dat destijds reeds behandelmethoden bestonden die niet optimaal zijn benut en dat voortijdig is geconcludeerd tot onbehandelbaarheid van [appellant].
“zodanig onvoldoende behandeling is aangeboden, dat op basis van die stukken niet tot een longstayplaatsing had mogen worden beslist.”De beslissing van de Minister verkreeg hiermee formele rechtskracht. Het PBC-rapport vormt geen nieuw feit dat doorbreking van die formele rechtskracht rechtvaardigt. Er kan niet reeds van een dergelijk nieuw feit worden gesproken omdat het PBC tot andere conclusies/andere inzichten komt ten aanzien van de behandelmogelijkheden dan de rapportages en adviezen op grond waarvan de RSJ heeft geoordeeld dat de minister er in redelijkheid vanuit mocht gaan dat longstay-plaatsing geïndiceerd was. De andere conclusies/inzichten van het PBC maken niet zonder meer dat die eerdere rapportages en adviezen onjuist waren, nog daargelaten de vraag of de enkele, achteraf vastgestelde (mogelijke) onjuistheid van de eerdere conclusies voldoende is om de formele rechtskracht te doorbreken. Aan het voorgaande doet niet af dat het PBC behandelmethoden heeft genoemd die wellicht destijds al wel bestonden maar aan [appellant] niet bekend waren.