Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 25 juli 2017
[appellant] ,
[geïntimeerde] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
eerste griefklaagt [appellant] erover dat de kantonrechter bij gelegenheid van de comparitie van partijen stukken van [appellant] geweigerd heeft, omdat ze te laat zouden zijn ingebracht. Volgens de
tweede griefheeft de kantonrechter de woorden van [appellant] ten onrechte enkel opgevat als verrekeningsverweer. Met zijn
derde griefklaagt [appellant] erover dat de kantonrechter de woorden van [appellant] niet heeft opgevat als een reconventionele vordering, althans dat hij aan zodanige typering onvoldoende aandacht heeft besteed. Volgens de
vierde griefheeft de kantonrechter onvoldoende kennisgenomen van de andere overeenkomsten die partijen met elkaar hebben gesloten, meer specifiek van de beheerovereenkomst welke van belang is voor de opeisbaarheid van de huur.
tweede en derde grieftezamen en stelt daarbij voorop dat aan de wijze waarop een in persoon procederende partij een reconventionele vordering instelt geen al te hoge eisen mogen worden gesteld. Voor de wederpartij en de rechter moet duidelijk zijn dat en wat als een tegenvordering wordt ingediend. [appellant] stelt bij conclusie van antwoord duidelijk dat hij € 47.500,- aan sleutelgeld van [geïntimeerde] wil terugvorderen. Naar het oordeel van het hof is daarmee voldoende duidelijk dat en wat [appellant] in reconventie vordert en heeft de kantonrechter de stelling van [appellant] ten onrechte niet als reconventionele vordering opgevat.
eerste griefvan belang, waarmee [appellant] er immers over klaagt dat hij bij gelegenheid van de comparitie van partijen, waarbij hij producties wilde overleggen, niet in de gelegenheid is gesteld zijn vordering alsnog toe te lichten en de inlichtingen, in welke vorm dan ook, te verschaffen waarop het tussenvonnis doelde. De
vierde griefbouwt daarop voort.