ECLI:NL:GHDHA:2017:2189
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-inschrijving verklaring van waardeloosheid in openbaar register
Appellant is in hoger beroep gekomen tegen vonnissen van de rechtbank Rotterdam inzake een hypothecaire inschrijving op een onroerende zaak die verband houdt met vermeende drugshandel. De rechtbank had appellant veroordeeld tot het dulden van executie en het doorhalen van de hypotheekinschrijving, en tot het afgeven van een verklaring van waardeloosheid die in het openbaar register moet worden ingeschreven.
De Ontvanger en de Staat stelden dat appellant zijn hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn van acht dagen na het instellen van het beroep in het register had ingeschreven, zoals vereist door artikel 3:29 lid 3 BW Pro en artikel 433 Rv Pro. Appellant heeft deze stelling niet betwist en geen bewijs geleverd van inschrijving.
Het hof oordeelt dat appellant niet-ontvankelijk is in hoger beroep voor zover het beroep ziet op de verklaring van waardeloosheid jegens de Staat, maar wel ontvankelijk jegens de Ontvanger en in het deel dat betrekking heeft op de proceskosten. De zaak wordt verwezen naar een nieuwe rolzitting voor nadere memorie van antwoord over de proceskosten. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat appellant niet was geslaagd in het leveren van tegenbewijs tegen de stelling dat het geld voor de onroerende zaak afkomstig was uit drugshandel, en dat de hypothecaire lening een schijnconstructie was.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk in hoger beroep wegens het niet tijdig inschrijven van de verklaring van waardeloosheid in het register, met uitzondering van enkele proceskostenklachten.