ECLI:NL:GHDHA:2017:2501
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering voorschot schadevergoeding wegens vernietigd strafvorderlijk beslag
In deze zaak vordert appellant een voorschot op schadevergoeding van €750.000,- wegens het verlies van inbeslaggenomen Sigraplus-capsules die tijdens een strafrechtelijk onderzoek in 2005 zijn vernietigd. De rechtbank wees de vordering af wegens gebrek aan spoedeisend belang en onvoldoende aannemelijkheid van de schade.
Appellant stelde dat hij een nieuw product wilde lanceren waarvoor financiering nodig was, maar kon dit niet concreet onderbouwen. Het hof bevestigt dat de stellingen onvoldoende zijn geconcretiseerd en onderbouwd, en dat appellant zijn bedrijfsmatige activiteiten heeft gestaakt, wat het spoedeisend belang verder ondermijnt.
Daarnaast is er een aanzienlijk restitutierisico, omdat de onderneming nog niet definitief is opgegeven en er veel geld in een nieuwe onderneming moet worden gestoken. Het hof oordeelt dat de Staat zich terecht op dit risico kan beroepen.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelt appellant in de proceskosten van de Staat, waarbij de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
Uitkomst: De vordering tot voorschot op schadevergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en onvoldoende aannemelijkheid van schade.