Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 4 juli 2017
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Algemeen
Het geschil
Vorderingen vrouw
- tot betaling van een bedrag van EUR 5.000,- vermeerderd met de wettelijke rente primair vanaf 5 februari 2015 en subsidiair vanaf, naar het hof aanneemt, de inleidende dagvaarding;
- primair tot betaling van een bedrag van EUR 14.542,60 wegens kosten in verband met de lening vermeerderd met de wettelijke rente vanaf, naar het hof aanneemt, de inleidende dagvaarding, en subsidiair tot betaling van de proceskosten in beide instanties, een en ander conform liquidatietarief;
- tot betaling binnen 7 dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, althans, naar het hof aanneemt, het ten deze te wijzen arrest, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf die termijn voor voldoening.
Grieven van de vrouw
eerste griefklaagt de vrouw dat de kantonrechter niet de daadwerkelijk door de vrouw gemaakte invorderingskosten voor vergoeding door de man in aanmerking achtte. Volgens de vrouw hebben partijen in de Schuldbekentenis d.d. 29 april 2010 bewust bepaald dat alle kosten die zij moet maken om het geleende bedrag terug te krijgen, door de man zullen worden vergoed, mede om de man een financiële prikkel te geven om het geleende bedrag terug te betalen. Dit volgt reeds uit een taalkundige interpretatie van de overeenkomst. De kantonrechter is buiten de rechtsstrijd van partijen getreden door de verplichting van de man zelfstandig uit te leggen. De vrouw stelt voorts, naar het hof begrijpt, dat zij gekozen heeft voor een advocaat die geen zaken op toevoeging behandelt en dat het haar vrij staat die keuze te maken en de meerkosten op de man te verhalen.
tweede grief) klaagt erover dat de kantonrechter niet bevoegd was om te oordelen over een tegenvordering van de man, dat de vordering door de kantonrechter verkeerd is begroot en dat hij geen verrekening had mogen toepassen.
derde griefklaagt de vrouw dat de kantonrechter ambtshalve de griffier heeft opgedragen een hoger tarief voor griffierechten in rekening te brengen dan het tarief voor onvermogenden.
vierde griefklaagt de vrouw dat de kantonrechter haar heeft veroordeeld in de proceskosten in conventie omdat zij overwegend in het ongelijk is gesteld.
vijfde en laatste griefvan de vrouw betreft het oordeel van de kantonrechter, dat nakosten niet voor toewijzing vatbaar zijn nu de wet daarvoor in een bijzondere rechtsgang voorziet. Het hof komt aan bespreking van deze grief niet meer toe, in verband met de compensatie van proceskosten als hiervoor in r.o. 28 bepaald.