ECLI:NL:GHDHA:2017:2570
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Executiegeschil over afkoop levensverzekeringspolis na echtscheiding
Partijen zijn gescheiden bij beschikking van 10 juni 2014, waarbij is afgesproken dat een levensverzekeringspolis gesplitst zou worden of bij gebrek daaraan afgekocht en de opbrengst gelijk verdeeld zou worden. De man vordert in hoger beroep een verbod op afkoop van de polis door de vrouw, stellende dat sprake is van misbruik van executierecht en onredelijke benadeling.
De voorzieningenrechter wees de vordering af en het hof bekrachtigt dit oordeel. Het hof oordeelt dat de voorzieningenrechter terecht het toetsingskader van artikel 479p Rv hanteerde, waarbij de aard van de vordering en de tussen partijen gemaakte afspraken relevant zijn. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door de afkoop benadeeld wordt.
Daarnaast is vastgesteld dat de man zelf begunstigde is van de polis en dat de belangen van de meerderjarige kinderen, die een beperkte uitkering krijgen bij vooroverlijden, zijn meegewogen. De man heeft onvoldoende inzicht gegeven in zijn en hun financiële situatie om een bijzondere grond voor het verbod aan te tonen.
De overige grieven van de man falen eveneens, waarna het hof het bestreden vonnis bekrachtigt en de man veroordeelt in de proceskosten aan de zijde van de vrouw.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het verbod op afkoop van de levensverzekeringspolis af.