De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de voorzieningenrechter dat haar verplichtte medewerking te verlenen aan een omgangsregeling tussen de man en hun minderjarige kinderen. De vrouw verzocht vernietiging van het vonnis en stelde dat een begeleide omgang noodzakelijk is vanwege een verstoorde relatie en het gevaarlijke gedrag van de man.
Het hof overweegt dat de kortgedingprocedure niet geschikt is voor een grondige beoordeling van de omgangsregeling en dat inmiddels ook een bodemprocedure loopt. De voorzieningenrechter heeft een juist toetsingskader gehanteerd door te beoordelen of nakoming van de omgang wenselijk is en concludeerde dat er geen contra-indicaties zijn.
Hoewel de relatie tussen de ouders verstoord is en de man in het verleden grievend over de vrouw heeft gesproken, acht het hof dit onvoldoende reden om omgang te weigeren. De vrouw heeft de omgangregeling in oktober 2016 zelf stopgezet. Het hof bekrachtigt daarom het bestreden vonnis en benadrukt dat partijen zelf hun verhouding moeten normaliseren.