ECLI:NL:GHDHA:2017:2583
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geschil over nalatenschap en beheer onverdeelde nalatenschap tussen erfgenamen
Deze zaak betreft een langdurig geschil tussen drie erfgenamen over de onverdeelde nalatenschap van hun overleden ouders. Geïntimeerde sub 2 was belast met het beheer en de administratie van deze nalatenschap sinds 1983. Na een herseninfarct in 2002 werd hij onder bewind gesteld en werd geïntimeerde sub 1 benoemd als bewindvoerder. In eerdere procedures werd geïntimeerde sub 2 veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording, maar dit is niet adequaat gebeurd.
Appellant is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam dat onder meer het executoriale derdenbeslag ten laste van geïntimeerde sub 2 opheft en dwangsommen relateert aan de periode vóór het herseninfarct. Het hof constateert dat de rechtsverhouding tussen de erfgenamen processueel ondeelbaar is, wat betekent dat alle betrokken erfgenamen, inclusief de zuster die nog niet in het geding is betrokken, partij moeten zijn om een bindende beslissing te kunnen nemen.
Het hof gelast daarom de oproeping van de zuster op grond van artikel 118 Rv Pro en houdt verdere beslissingen aan totdat zij is betrokken. Tevens wijst het hof een eiswijziging van appellant af die ziet op het betrekken van geïntimeerde sub 1 in een andere hoedanigheid. Het geschil omvat ook vorderingen tot schadevergoeding wegens vermeende malversaties en onrechtmatige onttrekkingen uit de nalatenschap, die in een aparte schadestaatprocedure zullen worden behandeld.
De procedure wordt aangehouden in afwachting van de oproeping van de zuster, waarna het geschil integraal kan worden behandeld met alle betrokken partijen.
Uitkomst: De zaak wordt aangehouden en de zuster wordt opgeroepen om als partij te worden betrokken in de procedure.