ECLI:NL:GHDHA:2017:2684
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- E.A. Mink
- A.N. Labohm
- A.H.N. Stollenwerck
- Rechtspraak.nl
Hof oordeelt over opeisbaarheid legitieme porties en uitleg vaststellingsovereenkomst in erfrechtzaak
In deze civiele erfrechtzaak staat de vraag centraal of de legitieme porties van de kinderen van de erflater direct opeisbaar zijn jegens de langstlevende partner en of de vaststellingsovereenkomst uit 2015 de hoogte van de legitieme porties definitief heeft vastgesteld.
De erflater overleed in 2011 en liet een testament na waarin onder meer zijn partner als erfgenaam werd benoemd. Partijen sloten in 2015 een vaststellingsovereenkomst waarin de legitieme porties werden vastgesteld op €58.000 per persoon, met verrekening van legaten en successierechten. Appellanten stelden dat de hoogte van de legitieme porties nog ter discussie stond en dat deze niet direct opeisbaar zijn, mede gelet op het samenlevingscontract en artikel 129 Overgangswet Pro NBW.
Het hof oordeelt dat de vaststellingsovereenkomst bindend is en dat alleen de opeisbaarheid van de legitieme porties nog ter beoordeling stond. Uit het testament en de omstandigheden volgt niet dat de erflater wilde dat de legitieme porties direct opeisbaar zijn. Artikel 129 lid 1 Overgangswet Pro NBW beschermt de langstlevende partner tegen directe opeisbaarheid. De vorderingen van de kinderen zijn daarom niet opeisbaar jegens de vrouw. Het hof vernietigt het vonnis voor zover de vrouw tot betaling werd veroordeeld, wijst de vorderingen jegens haar af en bekrachtigt het vonnis voor het overige.
Uitkomst: De vorderingen van de kinderen uit hoofde van de legitieme porties zijn niet direct opeisbaar jegens de langstlevende partner; het vonnis wordt op dat punt vernietigd en voor het overige bekrachtigd.