In deze strafzaak heeft de verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter van de meervoudige strafkamer, naar aanleiding van de terechtzittingen van 22 februari 2017 en 1 juni 2017. Het verzoek richtte zich op vermeende onpartijdigheid en onjuiste toepassing van voorzittersbevoegdheden, waaronder het niet geven van cautie, het verwijderen of weigeren van stukken en het verbod voor de raadsvrouw om te pleiten.
De wrakingskamer stelde vast dat het verzoek voor zover het betrekking had op de zitting van 22 februari 2017 niet tijdig was ingediend en verklaarde dit deel niet-ontvankelijk. Voor het deel dat betrekking had op de zitting van 1 juni 2017 werd het verzoek ontvankelijk verklaard en inhoudelijk beoordeeld.
Na beoordeling van het proces-verbaal van de zitting en de schriftelijke reactie van de voorzitter, concludeerde de wrakingskamer dat er geen aanwijzingen waren voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De wrakingskamer benadrukte dat onwelgevallige beslissingen op zich geen grond voor wraking vormen.
De wrakingskamer wees het verzoek voor zover ontvankelijk af en bepaalde dat een afschrift van de beslissing aan alle betrokkenen wordt toegezonden.