In deze zaak stond het verzoek tot ontslag van verweerster als executeur en testamentair bewindvoerder van de nalatenschap centraal. Verzoekers vorderden het ontslag wegens vermeend wanbeheer en vertrouwensbreuk. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna hoger beroep werd ingesteld.
Het hof stelde vast dat de nalatenschap beneficiair was aanvaard, maar dat de goederen niet langer ruimschoots toereikend waren om alle schulden te voldoen, waardoor de taak van verweerster als executeur op grond van de wet was geëindigd. Tevens was verzoeker [verzoeker 1] niet langer ontvankelijk omdat hij niet meer de wettelijke vertegenwoordiger was van zijn meerderjarige zoon.
Verder oordeelde het hof dat er sprake was van een ernstige vertrouwensbreuk tussen verzoekster en verweerster, waardoor het wenselijk was een nieuwe bewindvoerder te benoemen. De benoeming van een notaris als opvolgend bewindvoerder werd bevestigd. De proceskosten werden gecompenseerd en het overige werd afgewezen.