ECLI:NL:GHDHA:2017:2982
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- A.N. Labohm
- P.B. Kamminga
- P.M. van der Zanden
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep verdeling vermogen en inboedel na echtscheiding met bewijsvermoeden huwelijkse voorwaarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag over de verdeling van roerende zaken en verrekening van vermogen tussen partijen die zijn gescheiden onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen en een periodiek verrekenbeding.
In eerste aanleg is de echtscheiding uitgesproken en is de verdeling van roerende zaken en verrekening van bankrekeningen vastgesteld. De vrouw werd veroordeeld tot betaling van een bedrag aan de man wegens voorgeschoten woonlasten en afwikkeling van huwelijkse voorwaarden. In hoger beroep staat centraal of de woning van de vrouw tot het te verrekenen vermogen behoort, waarbij het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW Pro geldt dat het aanwezige vermogen tot het te verrekenen vermogen behoort tenzij het tegendeel wordt bewezen.
De man stelde aanvankelijk dat hij eigen vermogen in de woning had geïnvesteerd, maar wijzigde later zijn standpunt en betoogde dat de woning volledig met overgespaard inkomen was gefinancierd. De vrouw voerde aan dat zij het bewijsvermoeden had ontzenuwd door aan te tonen dat de woning met giften van haar moeder was gefinancierd en dat de hypothecaire leningen niet voor aankoop of verbouwing waren gebruikt.
Het hof oordeelde dat de vrouw consistent was in haar betoog en de man onbetrouwbaar vanwege zijn wisselende standpunten. Het bewijsvermoeden werd door de vrouw ontzenuwd, zodat de woning niet tot het te verrekenen vermogen behoort. De rechtbank had de verdeling van de inboedel vastgesteld, en het hof bekrachtigde deze beschikking. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het hoger beroep van de man af.