ECLI:NL:GHDHA:2017:3098

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
12 oktober 2017
Publicatiedatum
31 oktober 2017
Zaaknummer
22-004833-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 411 lid 3 SvArt. 395a SvArt. 359 lid 3 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in zaak wegenverkeersovertreding met vrijspraak wegens ontbreken verwijtbaarheid

In hoger beroep is de zaak behandeld van een verdachte die op 31 januari 2013 te Vlaardingen als bestuurder van een vrachtauto een fietser niet heeft opgemerkt tijdens een manoeuvre, waardoor de fietser ten val kwam. De tenlastelegging betrof overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het verkeer werd gehinderd en dat de fietser ten val kwam, maar stelde vast dat de verdachte niet anders had kunnen handelen dan hij deed. Uit een aanvullend proces-verbaal en een deskundigenverklaring bleek dat de fietser mogelijk niet zichtbaar was voor de verdachte.

Het hof concludeerde dat de verdachte de maximaal te vergen zorg betrachtte en dat hem geen verwijt kan worden gemaakt. Daarom werd hij niet strafbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging. Het eerdere vonnis werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken en ontslagen van alle rechtsvervolging wegens ontbreken van verwijtbaarheid.

Uitspraak

Rolnummer: 22-004833-15
Parketnummer: 10-200230-13
Datum uitspraak: 12 oktober 2017
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 22 oktober 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen)
op [geboortejaar] 1984,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is – na een verwijzing ex artikel 411, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering - gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 28 september 2017.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het ten laste gelegde tot een voorwaardelijke geldboete van € 200,-, subsidiair vier dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
Voorts heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 350,-, subsidiair zeven dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 31 januari 2013 te Vlaardingen, als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de kruising gevormd door de wegen de Van Hogendorplaan en de Seringenstraat, althans op één van deze wegen, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg/wegen werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg/wegen werd gehinderd of kon worden gehinderd, welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
nadat hij vanaf een bouwterrein achteruit is gereden en doende was zijn weg te vervolgen in een voorwaartse richting
tijdens die manoeuvre niet heeft opgemerkt dat een fietser, die in dezelfde rijrichting reed als hij, verdachte, zich (inmiddels) (rechts) dicht naast die vrachtauto reed en/of
die fietser niet heeft laten voorgaan en/of
in botsing of aanrijding of aanraking is gekomen met die fiets/fietser, waardoor die fietser ten val is gekomen.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij
,op
of omstreeks31 januari 2013 te Vlaardingen, als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de kruising gevormd door de wegen de Van Hogendorplaan en de Seringenstraat
, althans op één van deze wegen,zich zodanig heeft gedragen dat
gevaar op die weg/wegen werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt en/ofhet verkeer op die weg
/wegenwerd gehinderd
of kon worden gehinderd, welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
nadat hij vanaf een bouwterrein achteruit is gereden en doende was zijn weg te vervolgen in een voorwaartse richting
tijdens die manoeuvre niet heeft opgemerkt dat een fietser, die in dezelfde rijrichting reed als hij, verdachte,
zich(inmiddels) (rechts) dicht naast die vrachtauto reed en
/of
die fietser niet heeft laten voorgaan en
/of
in
botsing ofaanrijding
of aanrakingis gekomen met die fiets/fietser, waardoor die fietser ten val is gekomen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte
In de kern komt het aan de verdachte gemaakte verwijt erop neer dat de verdachte tijdens de in de tenlastelegging omschreven manoeuvre een fietser niet heeft opgemerkt, terwijl hij die fietser volgens de steller van de tenlastelegging wel had kunnen (en derhalve had moeten) opmerken.
Dat de verdachte die fietser had kunnen opmerken, volgt uit de conclusies als verwoord in een op 10 februari 2013 door rapporteurs [rapporteur 1] en [rapporteur 2] opgemaakt proces-verbaal ‘Verkeersongevallenanalyse’.
Ter terechtzitting in hoger beroep van 26 augustus 2016 is de behandeling van de zaak aangehouden teneinde de rapporteurs [rapporteur 1] en [rapporteur 2] in de gelegenheid te stellen een aanvullend proces-verbaal op te maken, waarin antwoord op vragen van het hof diende te worden gegeven.
Op 17 november 2016 heeft rapporteur [rapporteur 1] een aanvullend proces-verbaal opgemaakt.
Het hof heeft aan de hand van de inhoud van het aanvullend proces-verbaal vastgesteld dat daarin – in afwijking van de conclusies als verwoord in het op
10 februari 2013 opgemaakte proces-verbaal – is geconcludeerd dat het aannemelijk is om te stellen dat op het moment dat de verdachte begon te rijden de fietser kort naast of net achter de vrachtauto van de verdachte heeft gereden en dus mogelijk voor de verdachte niet zichtbaar is geweest.
Rapporteur [rapporteur 1] is ter terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2017 als deskundige gehoord. Tijdens zijn verhoor heeft hij bevestigd dat het goed mogelijk is dat de fietser op enig moment achter de vrachtauto van de verdachte heeft gereden en mitsdien voor de verdachte niet zichtbaar was. Voorts heeft de deskundige verklaard dat de verdachte heeft gehandeld zoals hij had behoren te doen.
Het hof stelt – overeenkomstig de conclusie van de deskundige verkeersongevallenanalist ter zitting – dat niet gezegd kan worden dat de verdachte anders had moeten handelen dan hij heeft gehandeld. Hij heeft zijn gevarenlichten aangezet, zijn beide ramen geopend, voorzichtig gemanoeuvreerd en bij het optrekken nog in zijn spiegels gekeken en desalniettemin de fietser niet gezien en naar het hof aanneemt ook niet kunnen zien.
Nu de verdachte de maximaal te vergen zorg heeft betracht ter voorkoming van een aanrijding met een (zwakkere) verkeersdeelnemer en van de verdachte in redelijkheid niet kon worden gevergd dat hij nog meer voorzorg zou betrachten dan hij heeft gedaan, kan naar het oordeel van het hof de verdachte redelijkerwijs geen verwijt worden gemaakt ten aanzien van hetgeen aan hem ten laste is gelegd. Derhalve is de verdachte niet strafbaar en zal de verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Dit arrest is gewezen door mr. H. van den Heuvel,
mr. J.A.C. Bartels en mr. H.C. Wiersinga, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 oktober 2017.