Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 14 november 2017
[appellant],
[woonplaats],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Artikel 7
grief IIop tegen het oordeel van de rechtbank in 4.9 van het bestreden vonnis dat [woonplaats] als bestuurder niet zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat hem een persoonlijk verwijt valt te maken.
grief IIdat zich richt tegen het oordeel van de rechtbank dat niet gesteld, noch gebleken is dat [appellant] ter zake van de huurverplichtingen een vordering heeft ingesteld tegen Nirway. Ter toelichting op de grief voert [appellant] aan dat hij wel degelijk een vordering tegen [woonplaats] heeft ingesteld onder verwijzing naar de producties 5 en 12 bij de dagvaarding in eerste aanleg. De grief miskent echter dat niet [woonplaats] maar Nirway de contractuele wederpartij van [appellant] is zodat niet [woonplaats] maar Nirway tot nakoming van de huurverplichtingen gehouden is. Dit deel van
grief IIis derhalve tevergeefs voorgesteld.
rief Ibeoogt aan de orde te stellen dat [woonplaats] vanaf het begin wist dat hij enkel en alleen onder toezicht in de zin van ‘in het bijzijn’ van een BIG-geregistreerde tandarts, de aan tandartsen voorbehouden handelingen mocht uitvoeren, constateert het hof dat [woonplaats] deze stelling gemotiveerd heeft betwist en dat ook overigens [appellant] deze stelling onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Voor zover [appellant] in
grief IItot slot beoogt te stellen dat [woonplaats] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld omdat [appellant] de als tandartspraktijk ingerichte ruimte niet heeft kunnen verkopen, is, mede in het licht van het bovenstaande, ook op dit punt uit de stellingen van [appellant] niet af te leiden waarom [woonplaats] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het hof voegt daaraan toe dat de door [appellant] gevorderde schade uitsluitend is gerelateerd aan de misgelopen huuropbrengsten en dat de gestelde problemen bij de verkoop van de praktijkruimte door [appellant] op geen enkele wijze zijn onderbouwd.