Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
16 juni 2016 van de rechtbank Den Haag.
“(…) - dat ten aanzien van het tussen hen geldende huwelijksgoederenrecht het Nederlandse recht van toepassing is;
(…) - dat ingeval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding of overlijden niets tussen partijen zal worden verdeeld, zelfs niet die goederen die partijen tijdens het huwelijk gezamenlijk zullen hebben verkregen of gebruikt.”
Processuele zaken
Rechtsmacht van de Nederlandse rechter ter zake de echtscheiding
3 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (hierna: de Verordening Brussel II bis). Wat daar ook van zij, het hof is van oordeel dat artikel 9 aanhef Pro in samenhang met sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in ieder geval rechtsmacht creëert voor de rechter. De echtscheiding betreft immers een rechtsbetrekking die ter vrije bepaling van partijen staat, en de vrouw als gedaagde in de procedure is niet uitsluitend of mede verschenen met het doel de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te betwisten; de vrouw heeft in de loop van de procedure zelfs een zelfstandig onvoorwaardelijk verzoek in haar inleidend verweerschrift gedateerd 10 februari 2016 geformuleerd, inhoudende dat zij de rechtbank verzoekt het verzoek van de man onder I van zijn petitum om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, toe te wijzen.
Rechtsmacht van de Nederlandse rechter ter zake de verzoeken van de man
- de gelden waren afkomstig uit het vermogen van de vrouw en niet uit het vermogen van de man;
- de vrouw heeft gelden opgenomen ten laste van [onderneming] GmbH en deze gelden heeft de vrouw aan de man ter hand gesteld;
- nu er veel gelden door haar zijn opgenomen uit [onderneming] GmbH heeft de vrouw er belang bij om inzage te krijgen in de jaarrekeningen van [onderneming] GmbH;
- de man beschikte niet over vermogen of een inkomen;
- in randnummer 73 stelt de vrouw dat de man ex art 843 Rv Pro alle bankafschriften van zijn privé rekening had dienen te overleggen met betrekking tot de periode van 2010 tot en met 2015;
- voorts is de vrouw van mening dat zij er belang bij heeft om inzage te krijgen in de jaarstukken van [bedrijf] BV;
- het hof begrijpt uit randnummer 77 van het appelschrift van de vrouw dat er geen vermogen van de man in haar vermogen is gevloeid;
- voorts wordt door de vrouw betoogd dat de betalingen die vermeld staan op productie 15 van de man niet zijn aan te merken als investeringen in de zin van artikel 1:87 BW Pro.
- de man beschikte bij het begin van het huwelijk wel over vermogen zie randnummer 30 van het verweerschrift tevens incidenteel appel;
- geschillen aangaande de aandelenoverdracht van [onderneming] GmbH is geen geschil tussen partijen, aangezien niet de man, maar zijn onderneming [onderneming] LTD de aandelen van de onderneming [onderneming] GmbH heeft gekocht;
- uit randnummer 53 van het verweerschrift in appel tevens incidenteel appel volgt dat de man van mening is dat hij nog een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw van € 150.000,-- met betrekking tot de verkoop van een paard welke opbrengst de vrouw heeft gestort op haar eigen rekening.
eigenvermogen heeft geïnvesteerd in het vermogen van de vrouw.
- Deurwaarderskosten [naam deurwaarder] BV € 723,78;
- Bouwmaterialen € 1.458,77
- [onderneming] GmbH € 2.449,40
- [onderneming] GmbH € 529,49
- Boete € 100,-
- Energie [naam energiebedrijf] € 364, 40
- [onderneming] GmbH € 4.000,--.
Proceskosten
Den Haag voor het overige.