Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 29 augustus 2017
[naam] ,
HET LANDELIJK POLITIEKORPS,
Het geding
De verdere beoordeling van het hoger beroep
10. Gelet op het voorgaande acht het hof voorshands bewezen, behoudens tegenbewijs, dat [appellant] met een mes in de hand richting de agenten liep toen met pepperspray werd gespoten en dat deze dreigende situatie ook nog bestond ten tijde van het vuurwapengebruik. Met de rechtbank, en anders dan [appellant] , is het hof van oordeel dat de locatie van de inschotverwonding (in de rug) en de plaats waar het mes is aangetroffen, wel te rijmen is met deze lezing. Dat het tweede schot [appellant] in de rug heeft geraakt, is aldus te verklaren, dat [appellant] na het eerste schot in zijn linkerknie door die knie is gezakt, terwijl hij gelijktijdig nog een stap deed met zijn rechterbeen (verklaringen [agent 2] , [agent 3] en [agent 1] ). Het is zeer goed mogelijk dat hij daardoor naar links draaide en aldus, zakkend door zijn linkerbeen, zijn rechterzij in de richting van [agent 1] wendde. Dit wordt ondersteund door de hierboven onder 1.7. vermelde stukken. Wat betreft de plaats waar het mes is gevonden, te weten ongeveer 16 meter van de plek waar [appellant] is neergeschoten, is van belang dat uit door de Nederlandse Organisatie voor toegepast- natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) in opdracht van de rijksrecherche verricht onderzoek (productie 11 bij dagvaarding) blijkt dat er sporen van het “vallen” van een mes op de straat zijn gevonden, waarna het mes nog vier meter is doorgeschoven over de grond, en voorts dat de spreiding groot is en bijvoorbeeld afhangt van het feit of het lemmet de grond heeft geraakt of het handvat. Volgens [agent 1] heeft [appellant] het mes gelijktijdig aan/direct na het eerste schot weggegooid en de verklaring van [getuige 4] over de bewegingen die [appellant] ten tijde van de schoten met zijn arm maakte, past daarbij. Indien [appellant] met kracht heeft gegooid, is het zeer wel mogelijk, zoals de Politie terecht heeft aangevoerd, dat het mes ongeveer 12 meter verder terecht is gekomen en daarna nog circa 4 meter is doorgeschoven.
11. Bij memorie van grieven heeft [appellant] aangeboden als getuigen te doen horen zijn echtgenote en zijn dochter, die volgens hem kunnen verklaren dat hij niet met een mes achter de politie is aangerend. [appellant] zal in de gelegenheid worden gesteld dit tegenbewijs te leveren.”
“anders had hij niet zo kunnen doen met zijn handen voor zijn gezicht”.
“ernstig bedreigd”gevoeld.
“op explosieve wijze”naar buiten kwam stormen met een mes in zijn handen en dat sprake was van een
“overweldigende agressie”. Aanvankelijk liep [appellant] achter [agent 3] aan maar op een gegeven moment heeft [appellant] zich omgedraaid en is hij “in stevige looppas” op [agent 4] af gekomen, met het mes in zijn hand. [agent 4] heeft hem toen ook gepepperd, zonder effect. [agent 4] heeft voorts verklaard:
“Toen ik mij realiseerde dat de pepperspray niet werkte, stond ik voor de keuze om te schieten. Ik voelde mij op dat moment doodsbedreigd. Op datzelfde moment zag ik de loop van het pistool van mijn collega in mijn ooghoek en toen viel het eerste schot”. Volgens [agent 4] had [appellant] het mes nog steeds in zijn handen toen het eerste schot viel.
Grief Ifaalt dan ook. Daarmee komt het hof toe aan de vraag of de situatie het gebruik van pepperspray en van een vuurwapen rechtvaardigde en of het handelen van de betrokken agenten proportioneel was. Alleen dan kan de Politie immers met succes een beroep doen op de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond en is van onrechtmatig handelen van haar kant geen sprake.
grief IIIvoert [appellant] aan dat het gebruik van pepperspray in de gegeven situatie niet gerechtvaardigd was. [appellant] stelt dat de agenten in strijd hebben gehandeld met artikel 12a aanhef en lid 1 van de Ambtsinstructie door de pepperspray langer te gebruiken dan artikel 12c voorschrijft. Als de agenten de pepperspray zouden hebben gebruikt zoals voorgeschreven, dan hadden ze al snel geconstateerd dat de pepperspray niet zou hebben gewerkt, zo stelt [appellant] , en het was niet toegestaan om vervolgens nog meer peperspray te gebruiken. Artikel 12a aanhef en lid 1 van de Ambtsinstructie is duidelijk en niet voor meerderlei uitleg vatbaar, zodat de rechtbank nader had moeten motiveren waarom naar haar oordeel in dit geval een uitzondering op die regel mocht worden gemaakt. [appellant] verwijt de rechtbank ook dat zij niet is ingegaan op het verwijt dat de politie geen nazorg heeft verleend. Vaststaat dat dit niet is gebeurd en in hoeverre [appellant] daardoor schade lijdt op dit moment, dient zo nodig in de gevorderde schadestaatprocedure verder te worden beoordeeld, aldus [appellant] .
Grief IVis gericht tegen het oordeel dat aanleiding bestond tot het gebruik van handboeien. Volgens [appellant] bestond er nadat hij was neergeschoten redelijkerwijs geen concreet risico meer dat hij zich, indien niet geboeid, aan aanhouding zou onttrekken door te vluchten of dat hij gevaar zou opleveren. Het was naar zijn mening dan ook niet nodig om hem hardhandig te boeien, zoals door diverse getuigen is gezien, aldus [appellant] .