Uitspraak
“Afgelopen vrijdag hebben we de, door de opdrachtgever geconstateerde gebreken en afwijkingen van afspraken met de elektricien, besproken. Hieronder volgt een opsomming van de besproken gebreken, gevolgd door algemene opmerkingen alsmede de afgesproken vervolgacties. (…).”Ook op 21 april 2013 heeft [appellant] aan [geintimeerde] per e-mail een “opsomming van gebreken dan wel schade, niet elektra gerelateerd” gestuurd.
“Ik wil je nogmaals uitnodigen om genoemde schade te herstellen en genoemde aandachtspunten conform eis op te pakken. Ik heb je reeds geïnformeerd dat ik de laatste twee facturen (…) achter hou totdat genoemde schades en aandachtspunten zijn opgepakt conform de deadline van 3 mei, respectievelijk 10 mei. Voor zover tijdig herstel van de schade en ook de overige genoemde gebreken, niet op uiterlijk genoemde data heeft plaatsgevonden, ben ik genoodzaakt je reeds nu daarvoor formeel in gebreke te stellen. (…).”
“(…). Omdat cliënt mij te kennen heeft gegeven hiervoor te voelen stel ik u namens cliënt voor om op basis van kostendeling een deskundige (…) te vragen ombindend te adviseren(…). Mocht u dit voorstel niet aanvaarden dan geldt het navolgende: (…) Namens cliënt verzoek ik u dat wil zeggen verzoek ik – en voor zover van belang sommeer ik – Aannemingsbedrijf [naam] BV (…) om binnen 8 weken na dagtekening van deze brief (…).”
“Ik heb u medegedeeld dat wij geen vertrouwen meer hebben in een verdere samenwerking. Wij geven de voorkeur om het contract te ontbinden en de openstaane bedragen te verrekenen. Als gevolg hiervan zullen wij de werkzaamheden in eigen beheer afronden.”
“(…) Met dit voorstel kan cliënte niet instemmen. Cliënte wenst de herstelwerkzaamheden zelf uit te voeren. Cliënte verzoekt tot het werk te worden toegelaten om de werkzaamheden ook te kunnen verrichten.
“Cliënten laten uw cliënte hierbij weten, dat het zover niet zal komen en dat zij besloten hebben om afscheid van uw cliënte te nemen. Zij zeggen de overeenkomst hierbij (eenzijdig) op, onder verwijzing naar artikel 15 van Pro toepasselijke algemene voorwaarden (en anders wordt op voet van de wet 7:764 BW de overeenkomst beëindigd). Een valide reden behoeven zij hiervoor niet op te geven. (…) Uiteraard beseffen cliënten zich dat de opzegging leidt tot een afrekening. (…).”
“Naar aanleiding van de E-mail d.d. 7 oktober jl van de heer Verbunt (…) deel ik u het volgende mede. (…) De begroting is naar eer en geweten opgesteld en afgeprijsd, met dien verstande dat wij een bouwkundig bureau zijn en dat we niet de expertise in huis hebben om de installaties in detail te kunnen controleren. De installaties hebben wij op basis van foto’s en ervaring ingeschat. Het spijt mij dat ik de rapportage alleen naar de heer Binsbergen had verstuurd, in de veronderstelling dat hij deze naar de overige belanghebbende zou versturen (…). De mail van de heer Verbunt d.d. 7-10-2014 heb ik ter informatie gelezen en kan ik u meedelen dat ik achter mijn reportage blijf staan zoals u verstuurd 1 oktober 2014. Hier zult u het mee moeten doen.”
Grief Iis gericht tegen de feitenvaststelling door de kantonrechter. Die grief zal verder onbesproken blijven omdat het hof hierboven de feiten heeft vastgesteld en er overigens geen verplichting voor de rechter bestaat om alle door een partij aangevoerde feiten in een beslissing over te nemen. Met
grief IIvoeren [appellant] c.s. aan dat de vordering in conventie ten onrechte is toegewezen. In dat verband betogen zij dat [geintimeerde] had moeten begrijpen dat [appellant] c.s. eigenlijk de overeenkomst bedoelden (gedeeltelijk) te ontbinden op de voet van artikel 7:756 BW Pro dan wel artikel 7:265 BW Pro. De kantonrechter had op grond van het bepaalde in artikel 25 Rv Pro de rechtsgronden in die zin moeten aanvullen. Voor zover de kantonrechter dit niet had hoeven doen, doen [appellant] c.s. in hoger beroep alsnog een beroep op (gedeeltelijke) ontbinding.
Grief IIIkomt op tegen de verwerping door de kantonrechter van de stelling van [appellant] c.s. dat het bindend advies van Interplan vernietigd moet worden.
Grief IVricht zich tegen de overwegingen van de kantonrechter met betrekking tot de afrekening op basis van de opzegging van de aannemingsovereenkomst.
Grief Vheeft betrekking op de gewijzigde vordering in reconventie.
Grief IIstuit af op het voorgaande, zodat de overige punten die [geintimeerde] in dit verband nog heeft aangevoerd, onbesproken kunnen blijven. [appellant] c.s. hebben geen belang bij hun stelling dat de kantonrechter op grond van het bepaalde in artikel 25 Rv Pro de rechtsgronden had moeten aanvullen aangezien zij hun stellingen in hoger beroep zelf hebben aangevuld.
23.Grief IIIfaalt.
28.Grief IVfaalt daarom ook.
Grief Vfaalt daarom ook.
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Gouda, van 16 juli 2015;
- veroordeelt [appellant] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geintimeerde] tot op heden begroot op € 1.937,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.