ECLI:NL:GHDHA:2017:3320
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Voogdij en plaatsing minderjarige kinderen na overlijden moeder en veroordeling vader
De zaak betreft de voogdij over drie minderjarige kinderen na het overlijden van hun moeder door een geweldsdelict waarbij de vader is veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf. De moeder had het ouderlijk gezag, maar na haar overlijden werd de gecertificeerde instelling belast met voorlopige voogdij.
In eerste aanleg werd de voogdij toegekend aan familieleden van de moeder in Rusland, waar de kinderen sinds juli 2017 verblijven. De vader, oom vaderszijde en de raad voor de kinderbescherming kwamen hiertegen in hoger beroep en verzochten onder meer het Leger des Heils of de oom vaderszijde als voogd aan te wijzen.
Het hof overwoog dat netwerkplaatsing de voorkeur geniet boven neutraal pleeggezin en dat de familieleden van de moeder in Rusland een stabiele en warme omgeving bieden waarin de kinderen samen kunnen opgroeien. De screening van deze familieleden was deugdelijk en de voogdij dient aan hen te worden toegekend. De verzoeken van de vader, oom vaderszijde en de raad worden afgewezen en de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de voogdijtoekenning aan de familieleden van de moeder in Rusland en wijst de beroepen van vader, oom vaderszijde en de raad af.