ECLI:NL:GHDHA:2017:342
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en bevestiging machtiging uithuisplaatsing minderjarigen in familierechtelijke zaak
In deze civiele familierechtelijke zaak stond de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen centraal. De moeder was in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter, die deze maatregelen had bevolen vanwege ernstige bedreigingen voor de ontwikkeling van de kinderen.
Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was op grond van artikel 8 van Pro de Verordening Brussel IIbis, omdat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden op het moment van het verzoek. De moeder betwistte dit en voerde aan dat zij en de kinderen zich niet in Nederland bevonden, maar het hof stelde vast dat zij recentelijk in Nederland verbleven en dat de kinderen er naar school gingen.
De moeder stelde dat de maatregelen onterecht waren en dat er geen sprake was van onveilige situaties of vluchtgedrag. De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling voerden echter aan dat er sprake was van een langdurig patroon van onveilige omstandigheden, waaronder frequente verhuizingen, onderbreking van schoolgang, en gebrek aan contact met de vader. Het hof vond de gronden van de rechtbank juist en noodzakelijk om de ontwikkeling van de minderjarigen te beschermen.
Het hoger beroep tegen de voorlopige ondertoezichtstelling werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege wettelijke beperkingen, maar de machtiging tot uithuisplaatsing werd bekrachtigd. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep tegen de voorlopige ondertoezichtstelling niet-ontvankelijk en bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen.