Het gerechtshof Den Haag heeft op 12 december 2017 het vonnis van de rechtbank Rotterdam vernietigd en in hoger beroep de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar wegens meermalig seksueel misbruik van zijn minderjarige dochter. De feiten betreffen handelingen met een slachtoffer onder de twaalf jaar, alsmede ontuchtige handelingen met het slachtoffer tussen twaalf en zestien jaar, gepleegd in Schiedam en Werkendam.
Het hof heeft vastgesteld dat er geen sprake is van eendaadse samenloop tussen de verschillende strafbare feiten, omdat de handelingen niet uitsluitend hetzelfde zijn en deels op verschillende locaties plaatsvonden. De verdachte heeft jarenlang misbruik gemaakt van zijn positie als vader, waarbij hij de verantwoordelijkheid voor zijn daden onterecht deels bij zijn dochter legde.
De immateriële schadevergoeding van €10.000 is toegewezen aan het slachtoffer, die ernstige psychische klachten heeft ontwikkeld als gevolg van het misbruik, waaronder PTSS, waarvoor zij intensieve behandeling ondergaat. De verdachte is verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer. Het hof acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend gezien de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.